Placeholder Picture

Heem en Museum, Dorp 64, 2382 Poppel (gem. Ravels)

home
< Terug
Placeholder Picture

Heemkunde- en Erfgoedvereniging
Nicolaus Poppelius vzw

Ravels in 1740

Bron: W.Paulussen. Zo leefde Ravels in 1740. In: De Drie Goddelijke Deugden. Tijdschrift van de Heemkundekring Nicolaus Poppelius, nr.4, 15 juni 1997, blz.108-113.
Ingevolge een bevel van de Oostenrijkse bezetter, werd er op 16 en 18 november 1740 een telling gehouden van beesten, granen en voedergewassen. Die telling zou verband kunnen houden met de ramp van 1740, waardoor gans Europa betrokken was in een weergaloze hongersnood. Dat zulke telling geen nauwkeurige weergave geweest is van de werkelijke toestand, moet ons niet verwonderen als we weten dat de dorpsbewoners herhaaldelijk werden lastig gevallen door voorbijtrekkende en ingekwartierde legertroepen die paarden, hooi en haver opeisten en rogge, spek, boter, hesp en peulvruchten afpersten. Daarom moeten we zo'n telling met een korreltje zout nemen, want de inwoners waren beducht voor tellingen!
De telling werd uitgevoerd van huis tot huis en wie schrijven kon, moest zijn handtekening zetten onder de aangifte. Zo ontleenden we aan deze gegevens dat er in Eel 49 woningen stonden, 7 in de Stadstraat, 24 op het Gilseinde en 20 in de Straat en op 't Klein Ravels. Eel was dichter bevolkt dan Ravels en dat bleef zo tot het begin van deze eeuw. In 1740 kende Ravels uitsluitend een agrarische bevolking; elkeen bracht veldvruchten voort en zelfs de notabelen lieten zich niet onbetuigd. De gemeentesecretaris Jan Baptist Baelemans had één van de grootste bedrijven en de pastoor Frater Michiel Slaets had 6 akkers en bewon 2,5 hectare grond. Ook de vaklui als smeden, wagenmakers en strodekkers verbouwden veldvruchten. Wat werd er aangegeven?
Paarden en ossen:
Er werden slechts 30 paarden aangegeven en als daar de negen ossen nog aan toegevoegd worden, dan nog zou op minder dan de helft van de bedrijven trekkracht aanwezig zijn geweest. Dat lijkt wel beneden de werkelijkheid t.o.v. de grondoppervlakte die bewerkt werd.
Koeien:
In totaal werden er 532 koeien aangegeven, wat neerkomt op een gemiddelde van zes koeien per bedrijf of één koe per bewonnen hectare grond. Zestig bedrijven hadden minder dan zeven koeien. Er waren zes boeren met 10 koeien, één met 12 en één met 17.
Schapen:
De handel in schapen en de verwerking van wol namen een voorname plaats in bij het landbouwgebeuren. Er werden in totaal 1377 schapen aangegeven op 45 bedrijven en er waren kudden van 57, 56, 50, 48, 45 en 44 stuks. Op sommige boerderijen was er een schaapherder in dienst.
Varkens:
In totaal werden er 16 varkens aangegeven en het aantal dat verzwegen werd, moet aanzienlijk geweest zijn, omdat toentertijd het varkensvlees toch een voornaam bestandddeel van de dagelijkse kost uitmaakte.
Rogge:
Alle bedrijven gaven rogge aan en rogge was de bijzonderste akkerteelt. Rogge speelde een voorname rol bij de voeding van de bevolking en ook de handel in rogge kende een ongewone bedrijvigheid. Eén bedrijf was er met 9000 schoven, één met 5000 en één met 4500. Twaalf bedrijven hadden gemiddeld 4230 schoven ongedorste rogge in voorraad. Zevenentwintig bedrijven hadden gemiddeld 2130 schoven en zevenentwintig waren er met gemiddeld 1360. Vierentwintig boeren hadden gemiddeld 575 schoven in de schuur. Te Ravels had nooit een molen gestaan om de rogge te malen en van ouds waren de dorpelingen verplicht geweest hun rogge te laten malen op de windmolen van Weelde of op de watermolen van Rovert onder Poppel. Eerst in september 1789 werd aan Jan Baptist Sels octrooi verleend om de eerste windmolen te Ravels op te richten.
Haver:
Op alle bedrijven was er haver voorradig in verhouding van één schoof haver tegenover drie schoven rogge. Vijfenveertig bedrijfshoofden gaven gemiddeld 1215 schoven aan en zesendertig bedrijven hadden gemiddeld 416 schoven.
Boekweit:
Boekweit was een onmisbare teelt, werd op ruime schaal verbouwd en was een voedzaam ingrediënt in de karnemelkpap. Boekweitmeel werd ook aan varkens gevoederd en gaf een lekkere smaak aan spek en vlees. Op 73 bedrijven werd gedorste boekweit aangegeven; immers boekweit werd recht van 't veld gedorst. Die bedrijven hadden gemiddeld 34 viertels en een viertel was het vierde deel van een mud. Een mud was 70 kg. en een viertel 17,5 kg. In 1850 werd er te Ravels nog 8% van de beteelde oppervlakte bezaaid met boekweit, maar nu is de teelt gans verdwenen. In mijn jeugd at ik nog boekweitpap en boekweitstruif.
Erwten:
Op 35 bedrijven waren gemiddeld 20 kg. erwten voorradig.
Bonen:
Op 50 bedrijven trof men bonen aan; gemiddeld 35 kg. Erwten en bonen, die heel eiwitrijk zijn, vervingen het magere vlees waarover men destijds niet beschikte. Er was al een hele verscheidenheid gekend: witte bonen, Turkse bonen, Zeeuwse bonen en labbonen.
Aardappels:
Ontdekt door de Spanjaarden in Peru en Chili, werd de aardappel op het einde van de 16e eeuw naar Europa gebracht. De aardappel werd voor 't eerst hoofdvoedsel in Europa in het jaar 1740, het grote hongerjaar. Misschien kan de landbouwtelling die in 1740 werd bevolen, in verband worden gebracht met de algemene hongersnood. Op 72 bedrijven waren aardappels in voorraad maar slechts 3,5 manden gemiddeld per bedrijf. Toen werden te Ravels die knollen "patrassen" genoemd.
Vlaszaad:
Door 28 verbouwers werd vlaszaad aangegeven. Ze hadden gemiddeld 50 kg. in voorraad en de vlasteelt nam nog een niet te onderschatten oppervlakte in van het totale landbouwareaal. Van de nuttige vezel moest geen aangifte gedaan worden.
Spurrie:
Spurrie was een algemeen verbouwde teelt en met 4,5 karren spurriehooi per bedrijf, kunnen we gerust stellen dat spurrie de teelt was van de armere gronden.
Hooi en stro:
Op 72 bedrijven was er hooi voorradig en met zeis en rijf werd de teelt bewerkt. Er waren gemiddeld drie karren hooi per bedrijf; er was één bedrijf met 20 karren en drie bedrijven met 9 karren. Er was medio november ongeveer 10% van de rogge gedorst, immers rogge werd in 't najaar gezaaid en er was zaaigraan nodig. Het dorsen met vlegels begon in oktober en duurde onafgebroken voort tot half-maart. Haverstro was er niet voorhanden; haver moest ook niet zo vroeg gedorst worden want zaaihaver was er eerst in de lente vandoen.
Boekweitstro, boekweitkaf en roggekaf:
Er waren twee bedrijven met 10 karren boekweitstro en alle andere bedrijven beschikten over drie à vier karren. Op 70 bedrijven werd kaf aangegeven.
Slotbeschouwing:
In grote lijnen kunnen we aannemen, indien de telling de werkelijkheid benadert, dat de bewonnen oppervlakte te Ravels voor 3/5 werd besteed aan gras, spurrie en vlas en voor 2/5 aan rogge, haver en boekweit. De met graan bezaaide grond werd voor 50% ingenomen door rogge, 30% door haver en 20% door boekweit. Met het derde deel van de roggeoogst kon de lokale bevolking gemakkelijk gevoed worden, zodat het merendeel van de rogge kon worden verhandeld of gevoederd aan het vee.
De pastoor werd bij de telling niet overgeslagen en hij gaf aan: "Een paard en een vaars, drie karren hooi, één kar roggestro en één kar boekweitstro, een kruiwagen spurriehooi en vier zakken boekweitkaf, 18 viertels haver en 14 viertels en 4 zakken boekweit, één vat erwten en twee manden patrassen). De pastorie was in 1740 een indrukwekkend gebouw, een paar jaar voordien opgetrokken; maar zeker voorzien van stal en schuur. Ze is nog te zien naast de kippenslachterij Klaassen in de Peel.






ptos himenaeos.