Placeholder Picture

Heem en Museum, Dorp 64, 2382 Poppel (gem. Ravels)

home
< Terug
Tekens en afkortingen
Placeholder Picture

Heemkunde- en Erfgoedvereniging
Nicolaus Poppelius vzw

Bourgondische tijd
Oostenrijks/Spaanse tijd
De Oranjes
Oostenrijkse tijd
de Franse Republiek
Belgie onafhankelijk
St.Michaelsparochie
St Janskapel
het Gildeleven

Historisch Overzicht Weelde

- Het Romeinse tijdvak
- De Hertogen van Brabant

Voor dit gedeelte van ons overzicht hebben wij alleen beroep kunnen doen op twee artikels in het tijdschrift "Taxandria", en op kleinere aantekeningen in algemene werken. Een historische monografie over Weelde is nog niet verschenen; een bondig overzicht van de hand van E.P.Henri Maas, is beperkt tot een samenbrengen van de enkele algemene gegevens uit Gramaye en uit een paar archiefstukken. Wij hebben getracht dit overzicht te konfronteren met de dokumenten, in zoverre deze voorhanden zijn, en het aan te vullen met de excerpten die wij betreffende de geschiedenis van Weelde bij onze toponymische studie hebben verzameld. Het ligt voor de hand dat het onderhavig overzicht niet volledig is.

A. Wereldlijke Geschiedenis

De wereldlijke geschiedenis van Weelde staat nauw in verband met deze van de omliggende dorpen en vooral met die van Nederland, gezien haar ligging op de landsgrens. Tot in de zeventiende eeuw immers omvatte Weelde als vrijheid de dorpen Weelde, Poppel en Ravels en werden de bestuurlijke, rechterlijke en administratieve zaken grotendeels gezamenlijk geregeld. Daarnaast behoorde Weelde in de vijftiende eeuw administratief tot het "Kwartier Oosterwijk" en de "Meierij 's Hertogenbosch". In de zeventiende eeuw valt Weelde in handen van Amalia van Solms, weduwe van prins Frederik Hendrik van Oranje, en kort daarna in deze van de familie De Knuyt, eveneens een Nederlandse familie.

1. Voorgeschiedenis en Romeins Tijdvak

Uit de archeologische vondsten blijkt dat bepaalde plaatsen te Weelde reeds vroeg een bewoning hebben gekend.Bij de Hoogeindse Bergen ontdekte men een groot aantal voorwerpen in gehouwen silex. De vinder ervan, de Heer Jan Stroobant beschrijft deze punten, mesjes en wiggetjes uitvoerig in een artikel. Verleden jaar hebben wij er nog een 16-tal gevonden, waarvan een groot aantal de klassieke vormen vertonen. Volgens J.Stroobant zouden het Tardenoisien voorwerpen zijn. Boven reeds werd gewezen op het recente onderzoek van enkele grafheuvels.
Wat betreft een bewoning in de Romeinse tijd, kunnen wij nog geen beroep doen op werkelijke bewijzen. Hoewel tot nog toe de Romeinse kaart voor de Kempen nog grotendeels blanco bleef, mogen wij toch zeggen dat reeds op enkele plaatsen in de Kempen vondsten pleiten voor Romeinse bezetting.

De Hertogen van Brabant (1190-1404)

In de twaalfde eeuw behoorde Turnhout toe aan de Berthouts, die echter nog in dezelfde eeuw overwonnen werden door de hertogen van Brabant, die zich Turnhout persoonlijk toeeigenden. Het stoffelijk welzijn van het hertogdom Brabant was grotendeels aan de hertogen te danken. Weelde behoorde eveneens tot het hertogdom Brabant, maar voor de regering der eerste Hertogen, de Hendrikken, is ons niets precies bekend.

a) Jan I (1261-1294)
In het jaar 1262 gingen de burgers van Turnhout met die van Antwerpen een onderling verbond aan. Zij werden broeders en medeburgers. Hetzelfde jaar nog herhaalden ze dit met die van Brussel, Leuven en Lier.
In dit jaar 1261 volgde Jan I van Brabant Hendrik III op, en wel een jaar nadat voor Weelde de dokumenten aanvangen. Op dat ogenblik moeten Weelde, Poppel en Ravels één geheel gevormd hebben. Om die reden behandelt Gramaye ze in één adem. Terwijl zij in wereldlijk opzicht samenhoorden, zijn zij echter van ouds gescheiden geweest wat het geestelijk bestuur aangaat.

1. De eerste heren van Weelde (± 1200)
De oudst bekende heren van Weelde zijn Arnoldus Steencop en Henricus Werthusen. Zoals blijkt uit een oorkonde van 29 maart 1260 bezat Arnoldus of ridder Aernout het jus patronatus over de Kerk van Sint Michiel, die door zijn voorouders was gesticht. Dezes dochter, Margaretha, huwde met Henricus Werthusen, die hem opvolgde. Wij lezen dat hij het patronaat gedeeltelijk erfde en kocht; op 29 maart 1260 stond hij het af aan de abdij van Averbode.
Arnoldus Steencop was afkomstig van Brussel en plaatste de kerk van Weelde onder de bescherming van de patroon van Brussel, Sint Michiel.
In het huidige centrum, vlak bij de Sint-Michielskerk ligt nog het hof ten Bergen omgeven door de Borcht. Daar stond eertijds het kasteel, waar de eerste heren zich hebben gevestigd.
Fl. Prims meent zelfs dat: "De patroonschap van Sint Michiel doet denken aan een stichting van de aanvang van de 10e. eeuw, en aan een vrije kerk".

2. Een tweede kasteel te Weelde?
Wanneer wij Gramaye mogen geloven, zouden er te Weelde twee kastelen gestaan hebben niet ver van elkaar. Ze zouden behoord hebben aan twee heren van dezelfde familie, nl. de broeders Werix en Gerardus. "De dubbele gracht bestaat nog" zegt hij "en ouderlingen hebben de grondvesten zien opgraven". In zijn tijd bestonden ze echter niet meer en hadden alle voorrechten verloren, toen de twisten tussen de Hoeksen en de Kabeljauwen zich ook bij de Brabanders begonnen uit te breiden. Van dit tweede kasteel hebben wij geen enkel spoor ontdekt.

3. Geschil tussen Averbode en Henricus Van Weelde in 1292.
In het jaar 1292 ontstond er een twist omtrent de tienden van Weelde tussen de abdij van Averbode en Henricus de Prelaer of de Werthusen. Averbode wenste zich de tiende van Weelde toe te eigenen, doch de heer van Weelde had blijkbaar geen lust deze af te staan.
Als de scheidsrechter werd de abt van de abdij van Sint-Michiel van Antwerpen aanvaard. Deze besliste dat Henricus en Margareta twee derden zouden hebben terwijl Averbode de rest zou krijgen samen met de novale tienden.

4. Joannes De Bie, Heer van Weelde? (1296)
Na Hendrik van Werthusen vinden wij voor het eerst de familie De Bie vermeld als heren van Weelde. L.Galesloot vermeldt ze immers voor de veertiende eeuw. Vermits wij in een oprichtingsakte van de molens te Poppel en Weelde, Joannes de Bie vermeld vinden als pachters van deze molens, kunnen wij veronderstellen dat deze laatste ook heer van Weelde was in 1296. Deze Joannes de Bie had een dochter Katharina, die later in 1365 haar tienden overmaakte aan Tongerlo.

5. De oprichting van twee molens in de Vrijheid voor 1296.
Tijdens Jan I van Brabant werden te Poppel een watermolen en te Weelde een windmolen opgericht.
"Tot bewijs van dat Cornelis Antonissen is ongefondeert in syn versuck van octroye om tot Poppel te mogen stellen ende erigeren eenen wintmoelen boven de twee delen wint ende d'ander water meulen gelegen tot Rovoort onder Poppel (ende) d'ander tot Weelde, soo dient genoteert dat in den Jaere 1296 by hoogloff gedagter Hertog Jan van Brabant van wylen Joannes de Bye en syns naercommelinggen erffelyck is gegeven in beternisse van syn leen het gemael van eenigger vanwelde alsoo dat alle seggens selve eenigger van Weelde soude sculdig syn altyt te malen ..."
Joannes de Bie had het gemaal voor heel Weelde op twee molens, de ene te Weelde, de andere op Rovert. Dat betekent dat de inwoners van Weelde, Poppel en Ravels naar die twee molens moeten komen om hun graan te laten malen.
In de vijftiende eeuw was het gemaal in handen van Laurent Back, en later van zijn zoon (vanaf 1472). Daarna ging de molen van Rovert achtereenvolgens naar Jan Sledden, Jacob Peters van Wijflijt, meester Peter Jacobs soone van Wijflijt, meester Bartholomeus, Valentijn en Johanna van Wijflijt, Jan Van Tuldel en Jan, Maria van Tuldel (1560). De windmolen van Weelde ging naar Gijsbrecht Back (1498), Laurent Back (1513), Jan Back (1531) en dan naar verschillende leden van de familie Back tot in 1560 wanneer Sebastiaan Hermans het gemaal verkreeg.
Het gemaal werd dan verdeeld onder de twee. Een deel van Poppel ging naar Rovert, de rest moest naar Weelde komen. Overblijfselen van de oude watermolen bestaan nog op Rovert. De molen van Weelde stond op het Moleneinde, waar hij nog naleeft in talrijke toponiemen, doch zelf geen resten heeft nagelaten.
Joannes de Bie, en later zijn dochter Katharina en haar man Ghiselbertus Back, hadden tussen 1296 en 1365 deze wind- en watermolen in pacht, alsmede tienden en grond. Vermelden wij terloops dat deze Ghiselbertus, een van de voorouders was van Geertrui Back, de grootmoeder van Constantijn Huygens, langs moeders kant.
In 1365 maakte Katharina de Bie de tienden, die ze te Weelde bezat over aan Tongerlo. Deze tienden rusten op gronden op de Leemputten, het Gulde, het Schijn en de Hegge.
De windmolen van Weelde was een banmolen. De ingezetenen van Poppel, Weelde en Ravels waren verplicht er graan te laten malen. De familie Back (Bacq, Bacx), aan wie de molen in de vijftiende eeuw toebehoorde, hief er op iedere zak een "molsterrecht". Het gebeurde echter wel eens dat de dorpelingen van Ravels en Poppel met hun koren naar andere molens reden. Jonker Laureys Back deed zijn beklag daarover te Brussel, en hertogin Johanna, bij plakkaat van 1403 beval aan Gielis Back, schout van Turnhout, deze mensen te straffen. Deze echter verweerden zich zo goed dat het de schout niet mogelijk was de overtreders van het gebod op te sporen. Daarom werd besloten de inwoners van Poppel en Ravels gezamenlijk te laten betalen "40 cronen vransse", te weten die van Poppel 20 en die van Ravels 20.

b) Hertog Jan II (1294-1312)
De regering van hertog Jan II van Brabant was gekenmerkt door een sterke stadspolitiek. Hij wilde hiermede het gezag van de burgerij vestigen ten overstaan van het overal opkomende gemeen. Daarom ontvingen in die tijd Antwerpen, Leuven, Tienen, en vele andere gemeenten hun vrijheidsbrieven. Hetzelfde deed hij met Weelde.

1. De Vrijheid Weelde
In het raam van zijn politiek maakte Jan II van Weelde een vrijheid (municipium) en schonk hij Weelde zijn eerste vrijheidsbrief. De vrijheid Weelde omvatte de huidige dorpen Weelde, Poppel en Ravels. In het kader van het hertogdom Brabant was Weelde dus een vrijheid, behorende, volgens Gramaye, tot het kwartier van Oosterwijk en het distrikt 's Hertogenbosch. Vanaf 1477 kwam Weelde echter onder het kwartier Turnhout, distrikt Antwerpen. Volgens J.E.Jansen zou dit reeds in 1347 gebeurd zijn samen met negen omliggende dorpen die tot het gebied van Turnhout behoorden. Ook de Laet geeft deze datum op.
Hier rijzen wel vraagtekens op omtrent de verhouding van Weelde tot Vlaanderen en Brabant en omtrent de indeling van Weelde bij Turnhout. Wij komen hier verder op terug.

2. De schepenbank van Weelde.
De Schepenen of schepenrechters zijn de opvolgers der Ratchimburgi of Raadsburgers van vroegere eeuwen: alle vrije mannen vergaderden onder 't voorzitterschap van vorst, graaf, of honderdman om op de placita (d.i. maalstede, gerechtsplaats) hun uitspraken te doen.
In de 8e eeuw begonnen Pepijn de Korte en Karel de Grote schepenbanken in te richten, d.i. een gesloten college van een bepaald getal rechters, die banken stonden onder de oude grafelijke vierscharen. De verbrokkeling van het rechtsgebied volgde op de verbrokkeling van de macht der koningen. Reeds in de 13e eeuw konden de grootste steden zich van 't grafelijk gouwgeding vrijkopen. Langzamerhand kreeg elke stad, elke vrijheid, elke verzameling van volk een eigen schependom. Bestuurd en geoordeeld te worden door een eigen magistraat werd beschouwd als een recht, ja, als de grondslag van elke nieuwe gemeente en elke burgerlijke vrijheid. In de 15e en 16e eeuw kreeg schier elke plaats haar eigen schepenbank.
Weelde, Poppel en Ravels vormen van ouds één enkele schepenbank. In 1296 gaf Jan I, hertog van Brabant en Limburg de eerste vrijheden aan al de mannen van Weelde, Poppel en Ravels, die "...more solito ad placitum apud Welde confluentes ..." als bepaling kregen.
Weelde zal dus haar schepenbank reeds vanaf haar begiftiging door Jan II officieel gehad hebben. Wij lezen immers nog in het dokument van 1307 "... dat is dat voortaen gelijck van oude tijde die van Weelde, zoo wel die binne de vrijheyd woonen als in de gebuerte van Ravels en Poppel die gewoon sijn tot Weelde te raed en te recht te komen ..."

3. Keuze en macht der schepenen
Zolang Weelde en Poppel verenigd bleven, verkoos de officier van de grondheer één schepene te Weelde, en één te Poppel; elk dezer twee schepenen koos in zijn dorp de andere schepenen, die van Weelde drie, die van Poppel twee, onder toezicht van de officier. Dat werd de vaste regel voor het samenstellen van de zeven schepenen van de gemeente bank.
Hoe nauw de vereniging van Weelde, Poppel en Ravels was, hing af van de macht der schepenen in het algemeen en van de plaatselijke vrijheden en gebruiken in het bijzonder. De macht van de schepenen verschilde immers van plaats tot plaats. In het begin waren zij enkel belast met een rechterlijke functie in de samenleving, terwijl zij vanaf de twaalfde eeuw eveneens het bestuur in handen kregen. Zij maakten verordeningen op over orde, tucht, handel en nijverheid, hielden het oog op de gilden, zorgden voor de openbare veiligheid en zedelijkheid, verdedigden hun vrijheid tegen vreemde inval, beheerden de gilden van de gemeente, hielpen de armen en wezen ondersteunen en de kinderen onderwijzen, bewaarden de handvesten en deden dienst als notaris: "huurcedullen", verkoopakten en testamenten werden door hen opgemaakt. Dit alles nochtans geschiedde onder toezicht van de grondheer of zijn officier.
In oude schepenbrieven, welke de giften vermelden voor de kerk of aan de armen van Poppel, vinden wij steeds de schepenen van Weelde terug: b.v. in 1384 een schepenbrief van Godevaert die Wolff en Jan Coppens, in 1403 een van Willem Maes en Wouter van Trier, in 1429, een van Jan Claes en Jan die Wolff, enz...
Daarnaast bezitten wij in ons archief drie schepenregisters, waarin akten voor Poppel en Weelde door elkaar staan en die opgemaakt werden door de schepenen van de Vrijheid Weelde.
Uit dit alles kunnen wij besluiten dat de schepenbank van Weelde, naast de rechterlijke ook de bestuurlijke macht had voor Weelde en Poppel.
Wat betreft de verhoudingen met Ravels, hier blijkt de toestand ingewikkelder te zijn dan voor Poppel. Wij komen verder uitvoerig terug op de juridische en administratieve banden.
De schepenen hielden om de veertien dagen rechtszitting. Immers, in 1528 fundeerde kapelaan Henricus Swanen samen met de gemeenteraad een mis, om de veertien dagen in de kapel van Sint Jan te lezen en waarin de schepenen moesten aanwezig zijn. In een akte van 12 september 1572 anderzijds beveelt bisschop Sonnius dat van de drie missen per week in de Sint-Janskapel, er om de veertien dagen één moet gecelebreerd worden in het bijzijn van de schepenen voor hun rechtszitting.

4. Ravels en zijn betrekkingen met Tongerlo en Weelde
Het is een twistpunt hoever de greep van de Weeldse Schepenbank reikte op het gebied van Ravels. Immers, hier was de prelaat van Tongerloo grootgrondbezitter en daardoor kreeg hij vanzelfsprekend een groot aandeel in de jurisdictie. Daarnaast was het even onduidelijk sinds wanneer Tongerlo betrekkingen had met de noordelijke grensgebieden. Dr. Milo Koyen onderzocht dit probleem in een grondige studie, die wij in haar grote lijnen samenvatten. Reeds zeer vroeg had de abdij in onze gebieden goederen en bezittingen verkregen. In 1165 werden door de deken Gerardus van het kapittel van St.Servaas van Maastricht vier hoeven te Ravels en een hoeve op Eel aan de abdij overgedragen. De abt ontving dus de investituut over de vijf hoeven. Zij vormen een erfleen, waarvoor hij bepaalde voorwaarden moest volbrengen, ten opzichte van het kapittel van Sint-Servaas.
Wanneer Tongerlo in het bezit is gekomen van de vroente en de grondheerlijkheid van Ravels staat niet vast. Er schijnt wel een verandering gekomen te zijn op het einde van de dertiende eeuw, of het begin van de 14e eeuw. In 1298 neemt Hertog Jan II van Brabant de bezittingen van de abdij onder zijn bescherming. Uit deze brief blijkt dat de hertog onder zijn bescherming neemt al de goederen, bezittingen en vrijheden der abdij, alsook de lagere rechtspraak of jurisdictie, die door de schepenen, laten en rechters in de allodiale goederen van de abdij worden beoefend.
Mag men uit dit charter besluiten dat de termen "super allodiis" en "super minoribus justiciis mansionarios habitis" toepasselijk zijn op de grondheerlijke rechten van Tongerlo te Ravels-Eel? Waarschijnlijk wel, gezien uit de aartbrief van Weelde-Poppel, die door Jan II op 23 juni 1331 werd gegeven, blijkt dat toentertijd de aart en de vroente van Ravels reeds aan de abdij toebehoorden.
In deze aartbrief wordt vermeld, dat de hertog verkoopt of in cijnsgoed uitgeeft, de vroenten en wildernissen gelegen binnen de aangeduide palen, uitgezonderd de allodiale goederen van Tongerlo. Wat bewijst dit? Volgens de opvattingen van de rechtsgeleerde die in 1752 de "Naerderen inscriptis" opstelde, kunnen de "bonis allodialibus de Tongerlo", niet de betekenis hebben van eniger erven, vermits de erven nooit kunnen vallen in enige transport van vroente en wildernisse, en vermits de erven nooit zijn uitgezonderd of uitgenomen in een dusdanige aartbrief. Bijgevolg moet de term "bona allodialia" noodzakelijk hier verstaan worden in de zin van vroente of wildernisse. En vermits de grens van Tongerlo's goederen, tussen de twee palen van Mierdermeer en 't Gehulte (nu: Gelse Hoek) gelegen, zich ver noordwaarts uitstrekt, als een wig in de vroente van Weelde-Poppel, moest in de aartbrief van Weelde-Poppel gezegd worden: "bonis allodialibus infra dictos palos jacentibus exeptis".
Dit moest de hertog trouwens ook zeggen, omdat hij niet wilde en ook niet mocht beschikken over de aart van Ravels, die toebehoorde aan de abdij. Indien we nu de traditie in de abdij nagaan, komen wij eveneens tot de vaststelling dat zij in het begin der veertiende eeuw de vroente bezat en grondheer was te Ravels.
Jonker Joris Werner Van Ranst stelde de paalsteden vast tussen Schoot-Weelde en Ravels op 14 mei 1209. De proost van Sint-Servaas was in de dertiende eeuw nog steeds grondheer van Ravels en eigenaar van de vroente of de Aart. De proost bezit dus nog steeds het generale dominium en de bijbehorende jurisdictie

5. Hoever strekten de grenzen van deze grondheerlijkheid zich uit?
In de veertiende eeuw waren er waarschijnlijk reeds moeilijkheden gerezen in verband met de grensscheiding tussen de vrijheid Turnhout en Ravels. Daarom zal Maria Van Brabant, hertogin van Gelder en Zutphen, in 1367 de begrenzing tussen Turnhout en Ravels vastleggen. De paalscheiding strekte zich uit van de paal van Mierdermeer tot op de Houtsberg; vandaar trok men de lijn tot aan het Wit Keesvenne, verder tussen Wirics Dijck en Stapelvoort door naar die Grondeloze Meer. Van hieruit lijnde men verder af tot bij Michaëls hovele aan de Put, vandaar tot Hillekens Putte, geheten die Zeikenbosch en van hieruit ging dan de grensscheiding verder tot aan het vertrekpunt van Mierdermeer.

6. Welke waren de rechten van de abt van Tongerlo en Weelde?
De rechten die de abt van Tongerlo in deze grondheerlijkheid genoot, waren deze van een grondheer, of zoals het in latere documenten wordt uitgedrukt, bezat hij hier de fonciere jurisdiktie.
In 1420 schrijft hertog Jan IV, dat voordien reeds de abt van Tongerlo in de funktie van grondheer van Ravels zijn rechten had en uitoefende door een meier en laten aan te stellen. Ravels was bijgevolg een laathof met latenbank, die tot taak had de heerlijkheid en de rechten van de prelaat te bewaren en te handhaven, en die in naam van de prelaat het geding moest houden en boeten heffen tot drie schellingen toe. Deze toestand klimt waarschijnlijk op tot het begin van de veertiende eeuw.
De latenbank heeft alleen maar jurisdictie voor hetgeen de lagere rechtsspraak aangaat: het laatrecht op erven en onterven van laatgoederen en cijnsgoederen. Voor de andere gevallen gingen de inwoners van Ravels naar Weelde naar de bank, zoals hertog Jan II schrijft in 1307. Omdat dus de meier en de latenbank over geen voldoende macht beschikken om recht te laten geschieden, zal de prelaat in 1420 stappen aanwenden bij hertog Jan IV van Brabant om te Ravels-Eel een meier en zeven schepenen te mogen aanstellen. Dit wordt hem toegestaan. De abt mag als schepenen en meier nemen "die hen nutste en oirbelickste duncken selen" en hij mag deze "hersetten alsoo dicken als hem genoegen sal". Indien er personen zijn die zonder wettige reden het aangeboden ambt weigeren te aanvaarden, zal de schout van Turnhout hen hiertoe moeten dwingen.
Maar ook de schepenbank is niet bevoegd om in alle zaken recht te spreken, "daar zij voor alle zaken niet vroet zijn". Daarom zal de abt van Tongerlo een verzoek richten tot de schepenbank van Antwerpen, opdat die van Ravels zouden mogen komen naar Antwerpen als hun hoofdbank, daar zij elders geen hoofd hebben en omdat de meier en de schepenen dikwijls zware zaken te behandelen hebben, waarvoor zij niet ervaren genoeg zijn. De burgemeester en de schepenen en raadslieden van de stad Antwerpen hebben dit verzoek dadelijk ingewilligd en hun toestemming dadelijk gegeven op 8 oktober 1438.
Als grondheer van Ravels heeft de abt de lage jurisdictie. Dit wil zeggen dat hij o.m. rechter is in alle reële zaken met de meier en de schepenen. Onder deze reële zaken vallen, de grond aangaan, het oordelen over deze gronden, het behandelen van scheidingen en delingen van erfgronden, nalatenschappen, enz. Aangaande de hoge heerlijkheid van keuren en breuken, lijf en let, vechtpartijen enz. staan de ingezetenen van Ravels onder de bank van Weelde.
De lage jurisdictie zal de abt steeds blijven behouden omdat hij de grondheer is, de vrije warande bezit alsmede vrijheid van houtschat, en in solidum al de cijnsen van Ravels heeft. Dit volgens een attestatie van de schepenen van Ravels van 27 januari 1559.
Gedurende een korte tijdspanne genoot de prelaat van Tongerlo ook de hoge en middele jurisdictie te Ravels-Eel, nl. van 1559 tot 1616. In 1558 heeft de prelaat Arnoldus Streyters van de hertog van Brabant, de eigenlijke rechthebber voor de heerlijkheid van Ravels, de hoge en middele jurisdictie beleend voor een vol leen, met de vorsterije, bastaarden goederen, confiscatiën, remisiën, enz. met de houtschat en al hetgeen de hertog competeerde te Ravels. Hij verkreeg die leen voor de som van 441 gulden.
Indien het leen later zou worden afgelost, zal de prelaat echter in het bezit blijven van: de lage jurisdictie, grond en bodem met de cijnsen, de vrije warande, de vrije van houtschat, het behoud van keuren en breuken, enz. Ook zal hij steeds meier en de schepenen mogen blijven aanstellen om recht te spreken. In 1615 eindigde de hoge en de middele jurisdictie. Door de plaatselijke schepenen, met consentement van de prelaat, wordt de prins van Oranje in 1616 voorlopig als heer van Ravels erkend, met dien verstande dat de prelaat zijn rechten als grondheer zal blijven uitoefenen.
Er is aanvankelijk sprake geweest om de hoge jurisdictie bij onder de bank van Weelde te brengen, maar op verzoek van de bank van Ravels zelfstandig. Daar echter de prelaat grondheer is, blijft hij het recht behouden om een meier en zeven schepenen aan te stellen. Door de gecommiteerde van de prins wordt dan voorgesteld dat deze zeven schepenen voor hun beider belangen zouden optreden: in de reële zaken onder het gezag van de meier in naam van de prelaat; in personele zaken onder de schout van de prins. Deze regeling werd door de schepenen aanvaard. De zelfstandigheid van de bank van Ravels, indien deze bestaan heeft, heeft voorzeker niet lang geduurd, want enkele jaren later stond zij voor wat de hoge en middele jurisdictie aanging onder de bank van Weelde.
Dit blijkt uit een paar brieven van Franciscus a novo domo of van den Nieuwenhuizen. In het jaar 1619 schrijft hij dat hij vreesde zijn secretarisschap te verliezen door de regeling die getroffen was met de prins van Oranje. Hij verzoekt zijn ambt toch te mogen voortzetten voor wat de grondheerlijkheid aangaat. Mijn werk is wel verminderd, getuigt hij, omdat de hoge en middele jurisdictie onder Weelde zijn gesteld. De verdeeldheid tussen de abdij en de bezitter der hoge en middele jurisdictie, wat betreft het gezag, was meermalen oorzaak van wrijvingen en misverstanden. Hierover bestaan verschillende getuigenissen (o.a. cart. G. blz.96). Het zal nog een hele tijd aanlopen vooraleer de onderlinge rechtsverhoudingen worden geregeld.

7. Het latere verloop.
Wanneer na de vrede van Munster de Hoge Heerlijkheid van Ravels in het bezit komt van Amalia van Solms, wordt er naar gestreefd goed af te lijnen welke bevoegdheid de beide partijen bezitten. Door de raad van de prins van Oranje wordt gevraagd om schriftelijk aan te duiden welke rechten de meier van de prelaat toekomen. Om hierop met kennis van zaken te kunnen antwoorden werd beroep gedaan op het advies van rechtsgeleerden. Advokaat Mallants van Turnhout geeft zijn advies op het volgend "Quaerituur". Welke zijn de rechten die aan elkeen toekome in die dorpen waar de jurisdictie verdeeld is onder verscheidene heren. In zijn antwoord van 5 september 1663 zegt Mallants dat reeds in 1572 op een soortgelijk quaerituur was geantwoord te Brussel. Hij betoogt dan dat de juristen en de costumiers uiteenlopende oplossingen geven over de verdeling van de jurisdictie. Uit verschillende auteurs besluit hij dat de gewoonten van een plaats moeten gevolgd worden, alsook de plaatselijke interpretatie van de gebruiken. Na de algemene besluiten geeft Mallants zijn advies op de verschillende punten die hem werden voorgelegd en die waarschijnlijk betwist werden door de twee partijen. Uit het oordeel van Mallants blijkt dat al hetgeen de grond raakt, toekomt aan de officier van de lage jurisdictie, op voorwaarde dat het niet gebeurt ten gevolge van een gerechtelijke uitspraak, of dat de reële zaken niet verwant zijn met personele zoals bv. de belangen van wezen. Nog andere adviezen werden gevraagd, maar de antwoorden waren zeer vaag. Er moest klaarheid komen. Zo ontstond dan eindelijk in 1669 een onderling akkoord tussen Amalia van Solms, douarière van Oranje en barones van Turnhout enerzijds en de prelaat Hroznata Crils van Tongerlo anderzijds. In een eerste kapittel wordt de staat van schout, meier, schepenen en sekretaris behandeld. De permanente officieren: schout, meier en secretaris behouden hun ambt. Na de dood van deze nu in funktie zijnde ambtenaren, zullen de nieuwe officieren beurtelings worden benoemd door de douarière en door de abt. De zeven schepenen zullen aangesteld worden door de beide partijen. De eerste maal zullen er vier door de douarière en drie door de prelaat worden aangesteld; het volgend jaar vier door de abt en drie door de douarière. En zo telken jare opnieuw. De zeven schepenen moeten de belangen van de beide partijen behartigen. Het ambt van vorster moet ook alternatim toegekend worden door een van de twee partijen, met goedkeuring van de andere officieren.
De aangelegenheden die vallen onder de hoge en middele jurisdictie van hare hoogheid de douarière worden behandeld in het tweede kapittel. Zij zijn samengebracht in acht nummers, nl. confiscatie van goederen, de zaken "daar lijf en let aan hangen", alle keuren en breuken, die de grond niet aangaan, enz.
In het derde kapittel volgen dan de punten die afhangen van de grondjurisdictie van de prelaat en van zijn middele jurisdictie, nl. het erven en onterven, enz. Tenslotte worden nog enkele punten vernoemd die door de beide partijen moeten afgehandeld worden, nl. het bewaren van de sleutels, enz.

8. Weelde vrij van kosten en lasten (1307).
Van 1298 tot 1314 werden te Antwerpen de wallen uitgezet en de stad vergroot. Hiertoe moesten alle onderhorige vrijheden bijdragen. Hoewel het een vraagstuk blijft in hoeverre Weelde afhing van Antwerpen, toch zien we dat Weelde normaal ook had moeten bijdragen. Tevens moest er opgebracht worden voor het onderhoud van de dijken te 's Hertogenbosch.
Tegen deze dubbele verplichting opperden de Weeldenaren bezwaren, aangezien zij zware onderhoudskosten hadden aan de brug van Rovert, die toen lag op de belangrijke verbindingsweg tussen Turnhout en 's Hertogenbosch. Wij laten hier de akte integraal volgen gezien het groot belang ervan.
"Wij johan by der Gratie Godts Hertogh van Lotteringen ende van Brabant, doen cont ende laten weten, dat ende al soo veele ende menighvuldighe twist ende geschil is geweest tusschen onse goede lieden van Antwerpen, 's Hertogen Bosch, Turnhout ende Weelde, door dien dat die van Weelde seggen wilden dat sije in de Brabantsche schouden niet te gelden en hadden metter ongelt hunder prinse van Vlanderen behorden te betalen, ende wilden oock seggen dat sij met onse steden van Antwerpen ende 's Hertogen Bosch ende de vrijheit van Turnhout, nochte de marrije van dien niet te doen en hadden nochte metten gelden in die deyckinge ende moeringhe ofte vestinge. Soo ist dat wije met Rijpen Rade van onsen lieven en getrouwen jan Contenbucht om gemijnen oirboir ende vrede hebben voor ons geroepen die geseijde, goede luijden van Antwerpen en den Bosch, Tuurnhout ende Weelde, die hun hebben gesteld in ons seggen, dat is dat vortaen gelyck van oude theyden die van Weelde soo wel die binnen die vrijheit woonen als die geburte van Ravels ende Poppel die gewonnelijck hun tot Weelde te Rade ende te Recht te comen, sullen ende moeten blijven onder den Hertogh als Lants Heere, ende den standaert van Brabant volghen. Ende alsoo sije van outs onderhouden de Rovaertse brugge ende en sijn niet schuldigh aen de Decijckinge van de marreije van 's Hertogen Bosch nochte vestinge van de grachte van Antwerpen te gelden, is oock ons seggen dat de vrijdommen ende previlegien, geoctorieert ende gegunt aen die van Turnhout, niet machtigh zijn tot achter deel van die van Weelde, die hure vrijdomme ten vollen sullen genieten".
In 1824 zal er omtrent het onderhoud van deze brug opnieuw een twist oprijzen en wel tussen Poppel en Weelde.

9. Behoorde Weelde onder Vlaanderen of Brabant?
Een ander probleem is dit, of Weelde voor 1307 behoorde tot Vlaanderen ofwel tot Brabant. In de akte van 1307 immers lezen wij dat er van Weelde uit een protest is gestuurd aan Jan III aangaande het feit dat zij hun lasten te betalen hadden aan de graaf van Vlaanderen en bijgevolg zich niet verplicht zagen aan Brabant op te brengen: "... dat ende al soo veele ende menighvuldighe twist ende geschil is geweest tusschen onse goede lieden van Antwerpen, 's Hertogen Bosch, Turnhout ende Weelde, door dien dat die van Weelde zeggen wilden dat sije in de Brabantsche schouden niet te gelden en hadden metter ongelt kinder prinse van Vlanderen behorden te betalen..."
Bij dit verzoek hakt Jan III van Brabant de knoop door en bevestigt dat de inwoners van Weelde: "... sullen en moeten blijven onder den hertog als lants heere en ofte het opname datter Krijge ofte velt geset worden tergen Vlanderen, moeten voor den lants Heere staan en den standaert van Brabant volghen". Wij vermoeden echter wel dat, vermits tot hiertoe alle zaken beslecht werden door de hertogen van Brabant, de vrijheid Weelde administratief tot het hertogdom Brabant behoorde, hoewel een grondigere studie hier nodig blijkt.

C. Hertog Jan III (1312-1346)

Tijdens de regering van Jan III traden grote veranderingen op te Weelde. Grote partijen grond werden verkocht, de tienden van Weelde kwamen in handen van Tongerlo en de bevolking kon voorgoed de vlas- en wolproduktie doorzetten. Anderzijds werd Weelde, evenals de gehele Kempen, geteisterd door de grote rampen.
Dezelfde Jan III kocht het land en de heerlijkheid Turnhout samen met de omliggende dorpen: "Le duc Jean III père de Marie mariée à Raymond duc de Geldres (1347), donna quatre vingt milles escus, pour laquelle somme on lui assigna la terre et la Seigneurie de Turnhout avec les villages de ...Weelde, etc."

1. Jan III verkoopt braakland aan Weelde (1331).
In 1331 ging Jan III over tot een belangrijke beslissing. Ten gevolge van zijn talrijke oorlogen geraakte hij in geldnood. Als compensatie daarvoor zag hij zich genoodzaakt over te gaan tot de verkoop van grote oppervlakten heide en woeste gronden aan Weelde. Het is met dit feit dat de geschiedenis begint van de vele hektaren gemene gronden op de randen van de dorpen Weelde en Poppel. Inderdaad, deze gronden, de aarden of vroenten, hebben een bewogen geschiedenis. Ook te Turnhout en te Arendonk verkocht de hertog in hetzelfde jaar uitgestrekte heivelden aan de beide gemeenten. Al deze gronden dienden tot gemeen gebruik en lieten in de toponymie vele littekens na door de gebruiken en gewoonten die er mede verbonden waren.

2. De tienden van Weelde en Tongerlo
Wij vermeldden reeds dat aanvankelijk de voornaamste tienden van Weelde in handen waren van de familie de Bie, tot in 1365 Katharina de Bie deze overmaakte aan de abdij van Tongerlo. In een schepenbrief van Weelde getuigen de schepenen op 29 november 1365 inderdaad de inbezitneming daarvan. Deze tienden, gelegen in de Hegge, de Leemputten, 't Gulde en 't Schijn, waren reeds een twistappel geweest tussen de heren van Weelde en de abdij van Tongerlo. Aldus werd op 16 februari 1356 door de hertog van Brabant aan de abdij beloofd dat deze goederen onder hun tienderecht zouden vallen. Men beschouwde deze tienden dan vanaf 1365 voort als vrij goed, zoals uit een akte van 28 november 1365 blijkt.

3. Stortregens en pest (1315)
Zoals blijkt uit het werk van Kan.Heylen begon op 1 mei 1315 in onze streken een verschrikkelijke regen te vallen, die slechts na 10 maanden ophield. Daaruit is een pestepidemie ontstaan. Vermits men dergelijke rampen slechts lijdzaam kon aanzien, eiste deze epidemie duizenden slachtoffers in de Kempen. Het gevolg van dit ongure weder deed zich ook voelen op de vruchten in de velden: een hongersnood, die nog vele slachtoffers eiste was onvermijdelijk.

4. Uitzicht van Weelde in de late Middeleeuwen

Wij vonden in het gemeentearchief een dokumentje dat ongedateerd en anoniem is en dat een curiosum betekent voor ons dorp. Het beschrijft het oorspronkelijk uitzicht van het dorp in de middeleeuwen en maakt gewag van historische feiten, die met de werkelijkheid kloppen. Wij laten het dan ook volgen:

1. te reflecteren dat Welde ende de omliggende dorpen in de heyde liggen ende dat alle de ackerlanden van de heyde voortcomen.
2. dat het waerschijnlijk is dat ten jaere 1260 ende 1261 wijnigen ackerlanden waren.
3. soodat de 12 sisters gecoght door averbode de rendagie waeren van een groot deel der thiende der gelaboureerde landen
4. dat de heyden daer naer opgebrocken ende tot culturen gebracht, voor twee derde syn gecomen aen de abdije van tongerloo ende voor een derde aen den pastoor
5. dat de heyden die sedert 1618 gebracht syn tot culturen toegewesen syn aen den pastoor
6. hebbende den heer pastoor geen nieuwe erven dan sedert het jaar 1618.
agt de reflectie soo Stio schynt dan volgen dat men het ius patronatus seer wynig temporese gegeven is aan den abdye van averbode" De grootste inkomstbronnen van Weelde waren blijkbaar wel de wolproduktie, de vlasteelt en de markten. Grote kudden schapen liepen te weiden op de gemene vroenten en leverden wol, die zijn afzetgebied vond in Turnhout. Uit het vlasreglement en de toponymie blijkt dat de vlasteelt ook bloeide te Weelde. Daarnaast blijkt uit de akte van heroprichting van de markten te Weelde in 1612 dat reeds vroeg een weekmarkt en twee jaarmarkten moeten bestaan hebben.

D. Maria Van Brabant (1346-1399)
In 1347 trad Maria, dochter van hertog Jan III in het huwelijk met Reinhald III, hertog van Gelderland en graaf van Zutphen. Zij kwam in het bezit van de stad en vrijheid Turnhout, alsook van het land en de Heerlijkheid van Turnhout. Tot het land van Turnhout behoorden Wechelen (Wechel-ter-Zande), Gierle, Lille, Beerse, Vosselaar, Merksplas, Arendonk, Weelde, Poppel en Ravels.
Betwistingen omtrent de Maatse Laagte (1367)
In de loop van de 14e eeuw rezen geschillen tussen Weelde en Ravels omtrent het vruchtgebruik van de vroenten tussen Ravels en Weelde. Het was zowat de gewoonte geworden dat de inwoners van Ravels en tegelijkertijd die van Weelde naar de Maatse Laagte togen om er turf te steken en heide te maaien. Wanneer het nu zover kwam dat men zich niet meer tevreden stelde met de turf die men zelf stak, maar men zich ook reeds gestoken turf van anderen toeeigende ontstonden er twisten. Deze twisten ontaarden spoedig tot onenigheid tussen de twee dorpen. Men heeft daarom vele getuigen onderhoord om na te speuren op wiens domein die gemene gronden lagen. In een cartularium van Tongerlo staan al de getuigenissen opgetekend. Het perkament van 1367 brengt geen bescheid. Iedereen getuigde dat sinds ouds deze gebieden aan Weelde behoorden en aan Weelde tiendeplichtig waren. Doch daarbij legde men zich niet neer en de herrie duurde voort tot in 1568 Keizer Karel de beslissing bracht dat de Maatse Laagte werkelijk Ravels gebied was en hij daarbij de grenzen aanduidde. Nu echter behoort deze streek aan Weelde. Hoe deze verandering is gekomen weten wij niet.