Placeholder Picture

Heem en Museum, Dorp 64, 2382 Poppel (gem. Ravels)

home
< Terug
Tekens en afkortingen
Placeholder Picture

Heemkunde- en Erfgoedvereniging
Nicolaus Poppelius vzw

Historisch Overzicht Weelde

Oostenrijks-Spaans Tijdvak (1482-1555)


Maximiliaan (1482-1493) van Oostenrijk nam tijdens de minderjarigheid van Filips de Schone, zoon van Maria van Boergondië, het bestuur van ons land in handen. Aldus begint de Oostenrijkse Periode.
Het gasthuis van Weelde (1490)
In 1490 werd het gast- of vreemdelingenhuis van Weelde bisschoppelijk goedgekeurd, aldus Gramaye. Wij bezitten echter geen akten die ons verder inlichten over de stichting in de vijftiende eeuw. Later, in de 17e. eeuw, zijn er wel belangrijke feiten te noteren. In het testament van Jacob Huybregts Keteleers van juni 1668 staat een belangrijke gift vermeld tot stichting van het gasthuis. Wij vermoeden dat het vroegere gasthuis ofwel niet meer bestond, ofwel bij gebrek aan onderhoud zijn belang had verloren. Wij zijn ingelicht over alle formaliteiten die voor de stichting dienden vervuld te worden. Wij beschikken verder over de uittreksels uit het bevolkingsregister, de kopies van het testament, de stamboom van de familie Keteleers, enz...
Toch scheen iedereen niet in te stemmen met deze beslissing, vermits wij ook een aantal protesten vernemen tegen het stichten van het hospitaal. Doch het gasthuis werd gesticht en het bleef bestaan tot op het eind van de achttiende eeuw. De rekeningen lopen tot 1784 en in de toponymie treffen wij nog sporen aan van deze stichting.

A. Filips De Schone (1493-1506) en de schepenbank van Weelde (1504)
Nadat Weelde in 1479 was overgegaan van het kwartier van Oisterwijk naar dat van Turnhout, gebeurde het soms dat de Turnhoutenaren meenden zich te mogen mengen in de aangelegenheden van Weelde. Daarom bevestigt Filips de Schone, vader van Keizer Karel, in 1504 het recht van de Weeldenaren zich tot hun eigen schepenbank te wenden, die dienst deed als dingbank onder voorzitterschap van de schout.

B. Keizer Karel (1506-1555)
Bij de dood van Filips de Schone ontstond grote wanorde. Gelderland lag in vijandschap met Brabant. In 1506 kwam de hertog van Gelderland, Karel van Egmont met een leger van 2400 man Turnhout belegeren; alle mannen namen de wijk, behalve enkele schutters die op het kasteel bleven. Turnhout werd ingenomen en geplunderd. Na enkele jaren rust vielen de Geldersen onder leiding van Maarten van Rossum, in 1542 de Kempen binnen. Langs Baarle Nassau, over Weelde trok hij naar Turnhout en verwoestte en plunderde alles wat hem onder de handen viel.
1. Afschaffing van de tollen en lasten (1515)
In de zestiende eeuw ontstond er ontevredenheid omtrent de op te brengen tollen, belastingen en ongelden. Tienen, Oisterwijk, Rode, Oosterhout, Os, Avenne en Weelde verzochten om afschaffing van alle lasten. Op 5 juli 1515 kwam het antwoord vanuit Brugge. Hierin ging men in op de vraag van deze "Ingesetenen van den geseyden Steden vryheden ..." en werden de volgende schikkingen getroffen:
1. Vrijstelling van alle tollen en lasten in Vlaanderen en Brabant, zowel op het water als op het land: "... dat sy lieden vry bennen van allen thol, commer en opset of lastinge, soo voor haer goet als waer, cattel oft coopmanscappe in het landt van Vlaanderen, soo wel als in Brabant te stroom en te lande".
2. Vrije toegang tot de markten, zonder de toegangs- of verkopingsgelden te betalen: "Item dat sy lieden in vry marckten geleyde gedurick ende mogen voor des lants schulden niet opgehouden worden..."
3. Recht op een "vrybank": "Item dat sy lieden vrybank ende alsaet hebben ende natie in onse Stede ende moeten naer costuyme ende Stadtrecht gewesen worden ..."
Deze verordening werd opgemaakt in 1515 te Brugge, doch niet onmiddellijk verleend. Ze verscheen in een vidimis van de kastelein, meier en schepenen van Avesnes en werd verleend op 20 juni 1618.
2. Studiebeurzen in de 16e eeuw
Gramaye verhaalt ons dat reeds in zijn tijd er studiebeurzen gesticht waren te Weelde. Hij noemt een stichting van een zekere Godeskalk, proost van het Kapittel te Diest. Daarnaast had ook Bartholomeus van Nieuwenhuysen, rector van het gesticht Bruntruit, een stichting op zijn aktief. Deze twee "zeer geleerde mannen" (Gramaye) waren waarschijnlijk geboortig van Weelde. Een zeer belangrijke stichting was die van Joannes van Lummen, pastoor te Weelde, later "archidiaken te Famenne". Hij stichtte een beurs voor de leden van zijn familie en de inwoners van Weelde. Al de beurzen zijn gesticht voor studies te Leuven in de pedagogie het "Verken" en het huis van Standonck, alsmede voor meisjes van 10 jaar in het begijnhof te Leuven. Ten jare 1529 werden de beurzen zeer hoog geschat, aldus Gramaye.

C. Filips II (1555-1598)
Na de tussenperiode van Maria van Hongarije (1545-1558) kwam Filips II, koning van Spanje aan het roer. De tijd werd er niet rustiger door. Reeds in 1560 meldt men het rondtrekken van roversbenden in de Noorderkempen. Ze plunderden kerken en huizen, begingen diefstallen en moorden. Enkele jaren later begon voorgoed het Geuzenspel, dat met de hagepreken en verder met de beeldstormerij alles in rep en roer bracht. De bloedraad deed haar werk, maar voortdurend laaide het geuzenvuur op. Dit duurde tot Albrecht en Isabella.
1. De weerslag van de troebele tijden op ons dorp (1590)
Wij bezitten geen bepaalde documenten omtrent de gebeurtenissen te Weelde, maar wij mogen wel veronderstellen dat ons grens-dorp er hachelijk moet aan toe geweest zijn. Gramaye, de geschiedschrijver van Albrecht en Isabella, getuigt het immers: "Weelde ...aedificia habebat plurima, sed injuria belli fere medietas concidit, maxime post incendium et spoliationem Anni 90 per Bergenses milites curatam". Wellicht werden ook van Weelde zware offers en grote verliezen gevergd, zoals dit te Baarle-Nassau, Vught, Turnhout en zovele andere plaatsen het geval was. Voor 1573 worden enkele Weeldenaren door Gramaye vernoemd. Zij stierven voor hun geloof, zo getuigt hij. Bartholomeus Verhoeven, schout van Weelde, en Joannes Mathijs van Eersel, sekretaris, samen met dertien anderen vielen door de handen van de geloofsvijanden. De belangrijkste onder onze geloofshelden is voorzeker wel de H.Nicolaus Poppelius, een Weeldenaar, die gemarteld werd in de Briel in 1572.
De H.Nicolaus Poppelius
De H.Nicolaus Poppelius is een van de negentien martelaren van Gorcum. Over deze helden, en over de H.Nicolaus in het bijzonder, bestaat reeds een hele literatuur, die wij aan het einde van ons overzicht mededelen. De H.Nicolaus werd waarschijnlijk geboren te Weelde rond 1532. Hij studeerde er de grammatica, waarna hij op 28 augustus 1553 te Leuven zijn studies voortzette in de wijsbegeerte en de godgeleerdheid. Hij was niet bemiddeld en belandde dus in het "Porcus". De 26e maart 1556 promoveerde hij tot licentiaat in de kunsten. Als priester werd hij in 1558 door E.H.Leenaert Vechel, pastoor te Gorcum, als helper gevraagd. Hier bleef hij veertien jaar lang, eerst als kapelaan, later als tweede pastoor.
Bij het volk heette hij "het slaefke", maar hij antwoordde dan steeds: "Hij slaeft wel, die in God slaeft". Wanneer op 26 Juni 1572 de Geuzen Gorcum belegerden, trokken de kristenen en priesters zich terug op de burcht of het kasteel, om er zich onder de bescherming te stellen van de katholieke goeverneur Gaspar de Turck. Nadat Marinus Brandt, aanvoerder van de oproerlingen tot driemaal toe gezworen had, dat geen enkele katholiek, zo geestelijke als wereldlijke, zou gehinderd worden, tekende de goeverneur de overgave van het kasteel op 27 juni 1572. Doch onmiddellijk werden de priesters gevangen genomen. Wanneer Nicolaus op zekere avond in het gevang om zijn geloof getergd werd, aarzelde hij niet te zeggen: "Gaarne sterf ik voor het katholiek geloof, en vooral voor de leer dat Jezus Christus in het hoogwaardig Sacrament tegenwoordig is onder de gedaante van brood en wijn". Daarop snoerde men hem de koord van een Minderbroeder om de hals, slingerde die over een balk en snokte men ermee tot Nicolaus bewusteloos bleef liggen. Wanneer hij weer bijkwam, bleef om zijn hals een bloedrode spoor achter. Elke dag kwam men de gevangenen beschimpen. Zekere avond werden zij van hun bovenklederen ontdaan en werden ze in een mosselschip naar den Briel overgebracht. Daar werden ze half ontkleed voor geld ten toon gesteld aan de driftige menigte.In de nacht van 9 juni, na de braspartijen, beval Willem van Lummen aan zijn geuzen aanstonds de gevangenen te halen. Te 11 uur werden de gevangenen twee aan twee gebonden en voortgestuwd naar de plaats "ter Rugge" gevolgd door een luidruchtige menigte. In een schuur werden ze ontkleed. Op het laatste ogenblik poogde men hen nog afvallig te maken, maar het baatte niet. Slechts twee van de 21 werden afvallig. De negentien overigen beklommen moedig de ladder en ondergingen de marteldood door verhanging. Het waren elf minderbroeders, vier sekuliere priesters, twee Norbertijnen, een Dominikaan en een Augustijner monnik. Na hun dood werden de lijken nog deerlijk verminkt, en aan de spot der menigte overgeleverd. Eindelijk werden ze begraven in twee putten, door de soldaten gegraven. Kort daarop verschenen de negentien martelaren aan Mathias van Thorn en aan Mathias van Elst en diens vrouw, inwoners van Gorcum.
Op 29 juni 1867 werd de H.Nicolaus heilig verklaard. Elk jaar op 9 juli wordt te Weelde op het gehucht "Hegge" het octaaf gevierd en op een van de acht dagen trekt er een processie naar het kapelleke in de Hegge. Hieraan neemt heel het dorp deel.
Bibliografie.
Estius: Historia Martyrum Gorcomiensium, Douai, Bellerus, 1603.
De Ram: Notes historiques et inconographiques sur les martyrs de Gorcum, Louvain, Van Linthout, 1865.
Card.Sterckx: Egregiae virtutes duorum parochorum martyrum Vechelli et Nicolai Poppelii, Mechliniae, Van Velsen, 1867.
W.Estius: Waerachtige historie van de Martelaers van Gorcum, Antwerpen, J.Moerentorf, 1604.
Laforêt: Les martyrs de Gorcum, Louvain, Ch.Peeters, 1867.
Reussens: Historia beatorum martyrum Gorcomiensium, 2d., 1721.
P.Botkens: Kort en waerachtigh verhael van de ghevangenisse, lijden ende doodt der saliger Martelaeren van Gorcum, Brugge, L.Van den Kerckhoven, 1676.
J.Meerbergen; De H.H.Martelaren van Gorcum, Tongerloo, St.Norb. druk., 1928.
A.Van Eyndhoven: De heilige Nicolaus Poppelius. Zij naam en zijn geboorteplaats, Turnhout, 1906.
Palmieri: Relazione della gloriosa morte de sette martiri Gorcomiensi ...Nicollo Poppel, Roma, Monaldi, 1868.
C.Ruts: De Heilige Nicolaas Poppel een der 19 martelaren van Gorcum, Diest, 1906.
2. De scheiding van Ravels (1559).
Wij hebben reeds hoger gewag gemaakt van het feit dat Ravels niet zo nauw verbonden was met Weelde als Poppel. Ravelshof, thans met weglating van het tweede bestanddeel Ravels, hing voor geestelijke zaken af van de abdij van Tongerlo bij gift van de bisschop en, bij vergunning van de koning, ook voor wereldlijke zaken (tienden), sinds de band van haar vereniging gebroken is. Reeds in 1559 had die scheiding plaats. Nochtans was de scheiding slechts definitief in 1630, zoals H.Maas getuigt. In 1822 kwam de landmeter van het kadaster de grenzen tussen Weelde en Ravels vastleggen met "palen en opgeworpen hoopen ..."
3. Het vondrecht van Turnhout (1559).
Tijdens Jan II van Brabant, omstreeks 1300, werd te Turnhout een hospitaal opgericht voor arme "passanten" of reizigers, bedelaars en leeglopers. In het onderhoud werd voorzien door de verkoop van verloren dieren, die binnen een omtrek van 3 uur werden opgevangen. Deze begiftiging stamt van Jan II uit het jaar 1311. In de 17e eeuw werd het een geestelijk gasthuis. Het vondrecht werd verpacht. Gezien de vele misbruiken werd in 1559 op 2 april de verpachting opnieuw gepubliceerd, waarvan wij voor Weelde een afschrift bezitten. Hierin wordt bepaald dat alle verloren en dwalende dieren moeten opgevangen worden en drie dagen bij de schutter of voster in een "schot" moeten worden opgesloten. Indien na drie dagen de eigenaar zich niet heeft aangemeld, worden de dieren eigendom van 't gasthuis te Turnhout. Dit beschikkingsrecht geldt voor drie mijlen in de omtrek. Wanneer de eigenaar komt opdagen binnen de voorziene tijd, is hij verplicht de kosten van schutting en voeder te betalen. Wellicht duurt deze bepaling verder tot in de zeventiende eeuw, bij de overgang naar het geestelijk gasthuis.

D. Albrecht en Isabella (1598-1633).
Met de regering van Albrecht en Isabella braken betere tijden aan. Nochtans werd het begin van hun regering nog gekenmerkt door troebelen. Maurits van Nassau en Frederik van Oranje wilden nog steeds het Zuiden veroveren. In 1602 en 1603 ontstond er onder de huurtroepen van Albrecht een zware muiterij, zij plunderden de Kempen en sloten zich aan bij de Prins van Oranje. Daarna trad een kalmte in. Over deze tijd beschikken wij voor Weelde over niet veel bijzonderheden, behalve het feit dat op 15 oktober 1605 de Aartshertogen op verzoek van de Bisschop van Antwerpen, bevalen de landen die belast zijn met de "pieuse renten" opnieuw af te baken en de renten opnieuw te betalen, is het herstel van de markten te Weelde een belangrijk feit. Immers, deze rustigere tijd bracht een noodzakelijke hervorming mee van vroegere gewoonten. In 1603 brak er te Weelde opnieuw een pest uit, die duurde tot 1607 en zware offers eisten van de bevolking. Wat later, in 1622, begonnen de moeilijkheden tussen Weelde, Poppel en de inwoners van Bedaf (Nederland) over het gebruik van de vroente inzake weide en turf steken.
1. Herstel van de markten te Weelde (1612).
In een brief, gericht tot de aartshertogen, gaven de schepenen hun wens te kennen de markten van Weelde te herstellen. Het was immers een der noodzakelijke bronnen voor het levensonderhoud voor de bevolking. Zoals Gramaye verhaalt bestonden er eertijds, tijdens de hertogen van Brabant, twee jaarmarkten en een vrijdagse weekmarkt. Doch, ten gevolge van de troebelen en verwoestingen zijn deze teloor gegaan. In een akte vermelden Albert en Isabella ook de aantekeningen van hun geschiedschrijver en leggen zij er de nadruk op dat zij volgaarne voldoen aan de wens van het gemeentebestuur. Aldus wordt de vrijdagse markt terug in ere hersteld en worden de twee jaarmarkten hernieuwd, namelijk een op de eerste dinsdag van april en één op de dinsdag voor Sint-Michielsdag. Iedereen mag er kopen of verkopen. Tevens wordt de toelating verleend aan vreemde kooplui om bij elke jaarmarkt 6 dagen vrij in Weelde te vertoeven en met het recht op onaantastbaarheid. Om eventuele misbruiken te voorkomen wordt bepaald dat voortvluchtigen van deze voorrechten geen gebruik mogen maken om gebeurlijk asiel te krijgen. Met dat doel ook moet de officiële akte van Albrecht en Isabella bij elke markt afgelezen worden. In 1757 werd een afschrift gemaakt van het dokument en hierop staan de data vermeld samen met de namen van de aflezers. Hieruit blijkt dat de voster hiermede belast was, en, bij ontstentenis daarvan, een schepene.
2. De vroenten tussen Weelde, Poppel en Hilvarenbeek.
Sinds 200 jaren heerst er geschil tussen de inwoners van Hilvarenbeek, Poppel en Weelde, zo begint een akte uit 1631. Hier volgt dan een gemeenschappelijke overeenkomst in dezelfde akte. De notaris en schepenen van Hilvarenbeek en deze van Weelde en Poppel komen bijeen. Opdracht werd gegeven aan "Mr. Adriaen Coomans, licentiaat in beide rechten, ende schout der vrijheid ende der kwartier van Oisterwyk ende van ...R.Lemmens, licentiaet in de selve rechten en rentmeester van de baronie van Boxtel" van ieder een "minnelijke determinatie ende uitspraeke te doen waarinne de meeste stemmen sullen verhangen de minste ende sal in de voors. uitspraek gevolgt worden met magte dat deselve hunne arbitere tot het onderhouden van hun uitsprake ende verdrag mogen stellen eene pene van twee honderd guldens bij de partijen te verbeuren die daartegen bij maniere van reditie of andersinds in eeniger maniere souden willen oponeeren ..." Zij namen dan enkele getuigenissen af over de limietscheiding tussen Weelde, Poppel en Hilvarenbeek.
1. Adriaan Tielman Lemmen, landbouwer op Tuldele (62 j.) verklaarde voor 52 jaar te hebben gewoond op de hoeven van Tuldel. Hij had Mr.Jan Lemmens, vorige bewoner dikwijls horen zeggen dat de langs Weelde gelegen zijde van de hoeve Weelds was en de andere Hilvarenbeeks.
2. Wouter Joos, landbouwer te Ravels op de hoeve van Tongerlo, geboren te Overbroek onder Poppel (nu 73 jaar), beweerde dat de aard van H.Beek, Poppel en Weelde scheidde op de Haalboom van Tuldele en "wateruden" van Rovert. Hij beweerde dat er puttekens gegraven waren vgs. zijn ouders:
a) "een ierst cuyltken leecht ..."
b) "en het ander in eenen berck naer Paepenschuer naer Rovaert".
c) "het derde putteken was gelegen int Sant naer Tuldel..."
3. Hans Hestels, oud-voster van Poppel, (70 jaar) verklaarde dat er tegenover Coolhouwers huis te Rovert een "Blauwe Key" stond waar de vroenten scheidden en dat de grens dan lag vandaar in rechte lijn naar de Haalboom op Tuldel.
4. Jan Cornelis van Poppel geboren in H.Beek, (70 jaar), getuigt dat de scheiding lag op 't huis van Rovert en vandaar naar de haalboom van Tuldel. De inwoners van H.Beek mochten niet komen over de zandweg om heide te snijden of turf te steken.
5. Willem Stoops uit Poppel (72 jaar) zegde dat de scheiding lag op de hoek van Tuldel naar Esbeek, behalve 2 à 3 roeden, in rechte lijn naar Rovert tegen Coolhouwers. Overeengekomen werd in de scheiding als volgt: "Te weten van de sluijse van Roovaers linie recht, tot op den hoeck van den walle ... van Thulder naer Weelde uijtgelegen, ende van daer voors continueerende de selve rechtlinie recht uijt toten Beeckschen Aert ende heijde en naer Miertwaerts aan op sekeren pael ofte paelput uiter acte deser uitspraek. Nieuwt te stellen een en twintig royen twelf voeten van deselve gracht van de Thuldersche hoef strekkende naer Miert toe aen dat denselven reen sal continueeren linie recht van de sluise tot op ten ... te stellen pael, wel verstaende dat de voors: sluijse sal blijven Poppelschen ende welke grond ende dit sonder presidiere van gerechtigheid van de heren ter wedersijden ende sullen de costen ter saeke van dese geresen bij partijen half ende half betaelt ende gedragen worden, hebbende de partijen die welke dieselve uyt ofte wedersydsche ..." In 1637 verschenen er reeds nieuwe onderrichtingen betreffende het vroentegebruik. De kwestie scheen er nog niet mede opgelost en reeds in 1650 worden opnieuw getuigenissen ingewonnen. Jan Mertens (50 j.) en Nicolaes Horevoirts (44 j.), inwoners van Hilvarenbeek (gehucht Rovert) verklaarden dat de sluis en molen van Rovert stonden op grond van Poppel, dat daar de scheiding lag en dat de gronden langs de baan naar Poppel wel degelijk Poppel waren. Zij getuigden dat tot daar het klooster van Averbode grote domeinen hooibeemden hadden, gelegen tussen landerijen en heiden van Poppel en Weelde in. Deze laatste aarden waren nog niet gescheiden tussen Weelde en Poppel, vermits Poppel tot 1655 aan Weelde behoorde.
De herrie duurde voort en het blijkt dat nieuwe getuigenissen noodzakelijk waren: "... ende die getuygen naergenaemt die eersaeme Jan Wouter de Wit out vier ende tzeventich jaeren, Peeter Timmers out omtrent tweeenvijftich, Jan Martens out ontrent vijftich, Nicolaes Horevoorts out ontrent vier ende viertich jaeren ..." In 1661 op 14 juni verschenen dan gemeenschappelijke reglementen betreffende het gebruik van de gemene gronden. Hierbij werd bepaald dat iedereen die uit buitendorpse vroenten nut haalde gestraft werd voor 25 gulden, te verdelen onder de aanklager, de H.Geest, de Armen en de gemeente. Daarnaast stonden er nog een hele reeks bepalingen in betreffende het turf steken, enz... Om de overheid in geruststelling te brengen zwoeren de schepenen van Weelde gezamenlijk te zullen waken op de vroente en heide. Zij beloofden dat zij, "... wel ende rechtveerdichlyck suullen, gaede slaen, alle neersticheyt ende diligentie doen: om de voorschreven Vrunten ende gemeynte te bewaeren ende conserveren" Later wordt er nog getwist en af en toe verschijnen er nieuwe akten met de afbakening van de grenzen voor alle aangrenzenden dorpen, o.m. op 11 juni 1702.

E. Filips IV (1633-1647).
Het herstel van de orde ging nog voort tot het midden van de 17e eeuw. De bevolking kwam er stilaan boven op en de zaken gingen weer goed. Het geboortecijfer steeg: in 1610 waren er dertig doopakten en in 1665 twee meer. Intussen brandde rond 1623 de kerk van Poppel gedeeltelijk uit. De schepenbank van Weelde vroeg dan toelating aan Filip IV om te Poppel grond te verkopen ten voordele van de kerk. Deze gaf de toelating om 60 bunder vroente verkopen. In de akte ervan wordt er ook gewag gemaakt van de troebelen, de pest en plunderingen: "...In ons verthoont ende te kennen gegeven, hoe dat sy hun grootelijckx vinden beswaert met verscheijde schulden, aen diversche crediteuren die sij hebben moeten maecken alnoch op interest Loopende duerende dese Troubelen door swaren lasten, uuijt teringhen, ende beschaedicheijdt van Tochten ruytteren, ende knechten te peerde, ende te voet, daer toe sij supplianten. In den jaere sesthien hondert ende vierentwintigh hebben moeten leijden den brandt in den thooren van hunne parochie kercke door den blixem daer inne ghevallen die daer ..." Op 19 mei 1625 wordt het vondrecht opnieuw verpacht aan Weelde, Poppel en Ravels voor 6 gulden.
De pest te Weelde in 1637.
Een van de meest tragische feiten uit de geschiedenis van de Kempische bevolking is het herhaald uitbreken van de pest. De levenswijze van de landbouwbevolking leende er zich toe en anderzijds waren er geen bestrijdingsmiddelen. In de geschiedenis van Turnhout lezen wij hoe reeds in 1568 een pest uitbrak die 1400 mensenlevens roofde. Opnieuw kwam deze "haestighe sieckte" Turnhout teisteren in 1625. In 1637 schijnt zij gewoed te hebben te Weelde en op 24 juli verschijnen dan ook de onderrichtingen van de schepenen om deze ziekte te bestrijden. Niemand die besmet is mag onder het volk verschijnen binnen de veertien dagen op straf van 21 gulden. Niemand mag, wanneer zijn huis besmet is, de schrobbers nog buiten laten of laten werken op het veld. Tevens is iedereen gehouden de overheid te verwittigen, wanneer er besmetting is in zijn huis, opdat het huis binnen een vastgestelde tijd zou kunnen ontruimd worden. Het dokument is gedeeltelijk vernield en daarom ontbreken ons de verdere voorschriften. Op 21 november 1637 worden de maatregelen veralgemeend en uitgebreid op de dieren. Het is ten strengste verboden nog dieren buiten te brengen op straf van boete. Wanneer men bij dag deze regel overtreedt wordt men een boete gevraagd van 10 stuivers voor een paard, koe, vaars, rund of veulen, een van 4 stuivers voor een kalf of varken, een van twee stuivers voor schaap, ooi of lam. Bij nacht verdubbelt de boete. De aangetaste mensen werden in een zaal bijeengebracht op het gemeentehuis. Daar werden ze gezamenlijk verzorgd. De lijken werden aanstonds begraven. Maar de ziekte had haar slachtoffers geeist. In 1637 vielen er 101 sterfgevallen te betreuren. Er bleven nog slechts 11 huizen ongedeerd over.