Placeholder Picture

Heem en Museum, Dorp 64, 2382 Poppel (gem. Ravels)

home
< Terug
Tekens en afkortingen
Placeholder Picture

Heemkunde- en Erfgoedvereniging
Nicolaus Poppelius vzw

Historisch Overzicht Weelde

Kerkelijke Geschiedenis
Ook over dit deel van de geschiedenis van Weelde werd nog geen wetenschappelijke studie geschreven. Nochtans ligt in de oorkonden, behorend tot het parochieel archief van Sint-Michiel, heel wat materiaal verborgen. Wij zullen trachten aan de hand van onze excerpten en een paar gepubliceerde artikels een beknopt en onvolledig overzicht te geven. Wij hebben ook een beroep gedaan op twee betrouwbare opstellen, die gebaseerd zijn op oorkondenonderzoek. Het betreft hier een artikeltje van E.P.De Meyer, o.f.m.: "De Kapelanie van St.Jan Baptista te Weelde-Straat", verschenen in Tax.1950, 3-4, blz.149-166. Daarnaast gebruikten wij hiervoor het reeds vernoemde artikel van C.Ruts. Wij konden ook beschikken over de excerpten van E.H.Kolen, die een zeer groot deel van het Kerkarchief doorlas en vele aantekeningen maakte, maar waarvan slechts een klein deel tot ons gekomen is. Wij duiden deze uittreksels aan met "Exc.Kolen".

De Sint-Michielsparochie.
Deze parochie is de oudste en de Sint-Michielskerk was de parochiekerk voor alle Weeldenaren tot in 1928, wanneer de Sint-Jansparochie officieel erkend werd. In 1934 werd te Weelde-Statie een kleine parochie gesticht onder de bescherming van Onze Lieve Vrouw. De Sint-Jansparochie behandelen wij afzonderlijk.

A. Geestelijk bestuur in de Middeleeuwen
De H.Willebrordus heeft in de Noorderkempen het geloof gepredikt, en heeft te Poppel waarschijnlijk een kapel opgericht. Hieraan herinnert nog de huidige verering van die heilige te Poppel. De goederen, die hij in Poppel (Publo) van een zekere Henricus had gekregen, stond hij af aan de abdij van Echternach in Luxemburg rond 726. Hiermede begint de geschiedenis van de parochie Poppel, die nauw samenhangt met de geschiedenis van Weelde. Het ontstaan van de kerk van Weelde ligt in het duister en men vermoedt dat zij gesticht werd rond 1200. Een bewijs daarvoor ligt voor de hand, vermits in 1260 Henricus van Weelde het patronaatschap, dat hij van zijn voorouders had geërfd en afgekocht, afstond aan Averbode. Floris Prims gewaagt van 1251 als stichtingsdatum. Anderzijds zien wij hoe in 1211 Henricus, proost van Sint Servaas te Maastricht, de kapellen van Publo (Poppel) en Ravenslo (Ravels) aan Winnemarus, zevende abt van Tongerlo, afstond. De parochie van Poppel-Ravels werd een lange tijd door één herder bediend. Rond 1550 kreeg Ravels een eigen pastoor, doch bleef afhankelijk van Poppel. Aldus zien wij dat de parochies van Weelde, Poppel en Ravels van ouds gescheiden waren, hoewel de dorpen aanvankelijk onder één wereldlijk bestuur hoorden.

B. Weelde onder het bisdom Luik (tot 1559).
1. Onder het bisdom Luik in de vroegste geschiedenis
Het oude bisdom Luik, dat onder het aartsbisdom van Keulen ressorteerde, telde acht aartsdiakonaten. Van deze acht was het eerste en meest uitgestrekte dat van de Kempen. Het was verdeeld in zeven dekenijen, waaronder Hilvarenbeek. Volgens een naamlijst van 1441 moet Weelde toen behoort hebben tot Hilvarenbeek. Wij lezen immers in een dokument van 1294 reeds: "...confirmatio beneficiorum capelle de Weeldt per Decanum Beckensem 1294".

2. Weelde aan Averbode.
De voorouders van Arnoldus Steencop en Henricus Werthusen, eerst gekende heren van Weelde, stichtten, zoals gezegd, de kerk, en wijdden deze toe aan Sint-Michiel, daar zijzelf afkomstig waren van Brussel. Het patronaat hoorde oorspronkelijk toe aan ridder Arnout van Weelde, en na hem aan zijn dochter Margaretha, die gehuwd was met Hendrik van Werthusen, alias Steencop.
Dezelfde Henricus van Weelde en zijn echtgenote Margaretha, dochter van ridder Arnout van Weelde, schonken het patronaat, aan de abdij van Averbode op 29 maart 1260. Van dan af fungeerden in Weelde dus meestal Witheren als pastoors en onderpastoors. Zij werden benoemd door de abt van Averbode.

3. De tiendenkwestie in 1292.
Hoewel de tiendenverdeling aanvankelijk goed geregeld scheen, toch ontstond er in 1292 een geschil tussen de abdij van Averbode en Hendrik van Prelaar en dezes echtgenote Margaretha. Hierbij gaven de abt van Sint-Michiels te Antwerpen, ridder Jan Bere en Everdus, schout te Antwerpen, hun scheidsrechterlijke uitspraak.
Zij beslisten dat Henricus en Margaretha een derde zouden hebben, terwijl Averbode en de pastoor ook ieder een derde kregen. De novale tiende werd verdeeld door de deken van Hilvarenbeek die aan de pastoor van Weelde een derde hiervan toewijst. Daarnaast had de abdij van Tongerlo tiendeverpachtingen in Weelde op 4 plaatsen: nl. in de Hegge, de Leemputten, het Gulde en het Schijn. Uit de registers die wij bezitten blijkt dat zij zich over een lange tijdspanne uitstrekken. Wij kunnen met zekerheid de jaartallen 1365 en 1670 opgeven en wij weten ook dat de belangrijkste tienden van Weelde in handen waren van Catharina de Bie, die ze dan in 1365 verkocht aan de abdij van Tongerlo.

4. De verdeling der parochies in de dertiende eeuw.
In 1296 incorporeert de bisschop van Luik definitief de kerk bij Averbode. Van dan af is de benoeming helemaal afhankelijk van de abt van Averbode.
Een moeilijkheid bestond wat het gehucht Hegge betreft, omdat het samen met de Eel (Ravels-Eel) en Poppel-Ravels een aaneengesloten parochie vormde. Hoewel de Hegge wereldlijk aan Weelde behoorde, zeker vanaf de vijftiende eeuw, toch werd ze als scheiding aangenomen tussen Ravels en Poppel, en werd ze bij de parochie Ravels geïncorporeerd. Het is evenwel niet onmogelijk dat de Hegge aanvankelijk bij Poppel behoorde. De eerstvernoemde pastoor van Weelde is Henricus de Longstede (1355). In de vijftiende en zestiende eeuw gebeurde het wel eens dat de abt van Averbode seculiere priesters aanstelde. Vanaf 1648 waren het echter steeds Norbertijnen tot in 1833.

5. Bezittingen van Korsendonk te Weelde.
Naast de abdijen van Averbode en Tongerlo, speelde de abdij van Korsendonk (Turnhout) een rol te Weelde. Dit bewijzen de menigvuldige giften aan deze abdij: een gift van de familie Leest in 1403 , een gift van viertele rogs op 18 september van hetzelfde jaar, een gift in 1447 (vermeld door de schepenen van Weelde en de laten aan het hof van Laureys Bax), een gift van Frans Snellants (goederen) te Zondereygen, Baarle, Chaam en Weelde in 1445, een schenking van Willem Maas, enz...Anderzijds worden regelmatig bezittingen van Korsendonk vermeld in Weelde. Aldus in een schepenbrief van 5 juli 1551, in een van 1452, in een andere van 1452 (aanzienlijke goederen, o.m. een hoeve in de Hegge), in een brief van 1470 over goederen van de procurator broeder Michaël van Peer (o.a. bezittingen aan de Hees).

6. De Hegge aan de parochie Weelde.
Het jaar 1559 bracht in onze streek heel wat verandering op kerkelijk gebied. Vooreerst richtte de paus nieuwe bisdommen op in de Nederlanden. Poppel werd aan het bisdom 's Hertogenbosch gehecht. Het gehucht Hegge werd bij Weelde gevoegd.

C. Onder het bisdom Antwerpen (1559 tot 1801).
1. Dekenij Breda
In 1559 werd te Antwerpen een bisschoppelijke zetel gevestigd. Het bisdom werd gevormd uit een deel van het bisdom Kamerijk en een deel van dat van Luik. De abdij van Sint Bernardus werd met de bisschopszetel verenigd en de O.L.Vrouwekerk werd tot Kathedrale kerk verheven. In dit bisdom werd in 1570 Sonnius als bisschop aangesteld. Hij verdeelde het bisdom in dekenijen en groepeerde Weelde onder de dekenij Breda.

2.Dekenij Hoogstraten
Wanneer Torrentius in 1601 aartsbisschop van Kamerijk werd, bezette Joannes Miraeus in 1603 op 26 juli de bisschoppelijke zetel van Antwerpen. Hij wijzigde de inrichting van het bisdom ter gelegenheid van het twaalfjarig bestand (1609-1621). De vervolgingen gingen zo ver dat alle betrekkingen van het bisdom met de inwoners van de Hollandse dorpen verboden waren. In die omstandigheden oordeelde de bisschop het voorzichtig en nodig de omschrijving van de dekenijen van Breda en Bergen op Zoom te veranderen. Hij scheidde de dorpen af die onder de aartshertogen gebleven waren en richtte twee nieuwe dekenijen op, die van Antwerpen-Buiten en Hoogstraten.
Aldus kwam Weelde onder de dekenij Hoogstraten. Deze verandering greep plaats in 1609 en men behield lange tijd dezelfde toestand. Tijdens het dekenaat van Hoogstraten werden nieuwe reglementen uitgeschreven betreffende het offeren. Het schijnt wel dat oude tradities aan het verdwijnen waren, vermits op 2 juni 1767, E.H.De Vos, landdeken van Hoogstraten en pastoor van Meer, verklaart dat, naar oud gebruik, de parochianen op allerzielendag hun offer op het altaar leggen en dat elke parochiaan in de paastijd een stuiver moest offeren.

3. Twisten tussen de pastoor en het wereldlijk gezag.
Naast de verwikkelingen van algemene aard met als laatste hoogtepunt de dertigjarige oorlog (1618-1648), deden zich ook interne moeilijkheden voor. Het blijkt wel dat een zeer moderne opvatting van godsdienst zich deed gevoelen en geleidelijk aan kwam het tot botsingen tussen de gemeente en de pastoor. Een van de belangrijkste betrof de traditionele panes praebentales (d.i. de giften in broden aan de kerk en pastoor). De gemeente had namelijk omstreeks 1627 een verbod uitgevaardigd tegen de panes. In een brief drong de provisor van Averbode aan op de schriftelijke verbreking van het verbod.
De moeilijkheden werden niet opgelost, zodat rond 1661 de mensen zelf voortaan weigerden aan de panes praebentales te voldoen. De pastoor scheen er echter tijdelijk mede akkoord te gaan tot op 16 november 1685 de pastoor Severinus Otgeri een overeenkomst wenste met de gemeente. De gekozenen waren Ambrosius van den Bosch en Frans van der Schrieck. Daar er nog geen onmiddellijke overeenkomst bereikt werd, richtte de pastoor in 1686 een verzoekschrift tot de Raad van Brabant om het verbod van hogerhand te doen intrekken, waarop het in 1687 eindelijk werd ingetrokken.
Op 1 juli 1687 immers maakte de gemeenteraad bekend dat het verbod werd ingetrokken, maar met behoud van ieders rechten. Nochtans was de weerstand nog niet geheel overwonnen. Cornelius Backx, behorende tot de bekende adellijke familie, weigert echter nog te voldoen.
Een aantal dokumenten bevestigen later dat iedereen, ook Cornelis Backx, voldeed aan de panes praebentales. In 1751 flakkerde de twist weer op tussen Cornelis Backx en de pastoor. Een geding werd op touw gezet en beslecht ten voordele van de pastoor, terwijl Cornelis Bacx alle gerechtskosten moest betalen. De deurwaarder kreeg bovendien bevel de uitvoering van het vonnis te bewerken. Daar moest immers een 30-tal jaren achterstand inlopen. Ondertussen rees een nieuwe kwestie met de schout en de schepenen. De pastoor brak in 1684 het H.Sakramentshuisje af op het koor. Dadelijk rees er protest bij het gemeentebestuur en in een brief van 7 juni klaagde men de houding van de pastoor aan.
Zonder iemand te raadplegen, had hij dit zeer "curieuse" en schone sierstuk, dat door de voorouders van zijn parochianen werd betaald, weggenomen, daarom vielen zelfs de naburen de schout lastig. Zij waren dus wel verplicht te protesteren en verboden de pastoor nog iets af te breken zonder hun toelating.
Deze inmenging deed zich in verschillende voorvallen gevoelen. Zo kwam een protestbrief binnen op 31 maart 1716 tegen de pastoor. Hij had namelijk op de preekstoel afgeroepen wie tot kapel- en armemeesters gekozen waren. De schepenen herinnerden eraan dat die proklamatie voorheen steeds door de voster gedaan werd van op de vosterspui. Deze verandering deed afbreuk aan het gezag der magistraten. Het was niet de eerste maal dat hiertegen een protestmotie werd ingediend. Inderdaad, reeds op 4 mei 1667 en in 1684 waren er brieven binnen gebracht. De schepenen dreven de zaak zover dat zij de pastoor beschuldigden van minachting voor 't gezag van Henri Cornuval, heer van de gemeente. Een andere twist ontstond omtrent het vergroten en vernieuwen van de kerkvensters in 1759.
Zelfs met het onderhoud van het torenuurwerk bemoeiden zich de schepenen. De pastoor had een aanklacht ingediend bij de bisschop van Antwerpen omdat zij het onderhoud van het uurwerk op de beneficiant mijnheer Stobbelaer wilden dringen. De sekretaris van de bisschop antwoordde op 9 februari 1733 dat hij de akten van de stichting moest nazien om te kunnen oordelen. Op 3 maart van hetzelfde jaar schreef De Quickelberge, sekretaris van het bisdom, opnieuw en zegde dat de bisschop aan de schepenen geschreven had nopens het uurwerk. Hij vroeg aan de pastoor welke redenen de schepenen deden gelden en verzocht hem te zoeken in de boeken of daarin iets over het onderhoud te vinden was.
De pastoor antwoordde dat in de boeken niets geschreven stond, maar dat mondelinge getuigenissen luidden dat de burgemeesters steeds aan 2 personen, de ene 14 gulden en de andere 15 gulden, betaald hadden voor het onderhoud van het uurwerk. De getuigen hadden dit gelezen in de Burgemeestersboeken en waren bereid het onder eed te verklaren. De schepenen echter beweerden dat dit vals was. Zij haalden daarvoor voorbeelden aan. Pastoor Waermans, de kapelaan en de koster deden de onkosten. De tegenwoordige koster had een kontrakt gesloten met de schepenen, waardoor hij zich verplicht had voor het uurwerk te zorgen. Doch dit werd weer beantwoord met het feit dat hier een list (dolo) gebruikt werd. De president zegde in 't bijzijn van getuigen "Wij hebben 't kosterken stillekens het net over het hoofd getrocken". Zij dreigden immers de koster hem het "koster koren" te ontnemen als hij niet wilde betalen. Het besluit was: "...vendant, vel cum suo horlogia ambulare vadant" (dat ze het uurwerk verkopen of er mede wandelen gaan).
Regelmatig ook werd er beroep gedaan op het Hof van Brabant voor allerlei gevallen. Aldus kwam er protest van de schepenen van Weelde tegen pastoor Huysmans op 18 oktober 1793. Er bestond immers een put op het kerkhof. Daarnaast stonden de school en twee herbergen. Nu gebeurde het regelmatig dat dronkaards deze put afbraken of hem beschadigden. De pastoor echter wilde er een einde aan maken door hem te dempen. De schepenen verboden dit aan de pastoor, vermits hij ten dienste stond van de gemeenschap. Daarop werd weer een beroep gedaan op het Hof van Brabant.
De tijden waren moeilijk en het is begrijpelijk dat zulke incidenten zich voordeden in de achttiende eeuw. Te Weelde had men ook af te rekenen met de politiek en meermaals blijkt uit dokumenten hoe partijdig de officiële instanties konden zijn. Wij lezen dit herhaaldelijk voor wat betreft de sekretaris van Weelde in de tweede helft der achttiende eeuw. Hij wordt voortdurend als een "paapenhater" bestempeld.

4. De Beneficiën
In de 15e eeuw bezat de Sint-Michielskerk vier beneficiën of altaren, waarvan één in de Sint-Janskapel, nl. dat van Onze Lieve Vrouw. In de Sint-Michielskerk had men het beneficie van de H.Geest, de H.Antonius belijder, de H.Katharina en de H.Barbara. Deze beneficiën werden opgericht op 21 maart 1453 door Joannes, bisschop van Luik. Hieraan waren "zes muiden rogge"verbonden, mits twee missen per week te celebreren.
Op 12 januari 1524 werd in dezelfde kerk een "geestelijk weirelijk" beneficie gesticht onder voorspraak van de H.Gregorius, martelaar, de aartsengel Michael, de H.Nicolaus van Mira en de H.Hubertus, door Erardus van Merken, bisschop van Luik. De inkomsten werden gepreleveerd op de goederen van zeven stichters. De beneficiant voldeed eraan door de vroegmis op zon- en feestdagen en een speciale mis elke week.
In 1572 werden door bisschop Sonnius van Antwerpen, op verzoek van pastoor Jan Lawrijsen enige beneficiën verenigd, wellicht omdat het vervullen van ieder afzonderlijk niet altijd gemakkelijk was. Dat van Sint Gregorius, waaraan een vroegmis was verbonden op zon- en feestdagen werd verenigd met dat van Sint Jan (in de kapel), waaraan drie missen verbonden waren. Deze van de H.Geest, de H.Antonius en de H.H.Katharina en Barbara, waaraan drie missen naar beliefte en een mis elke dinsdag verbonden waren, werden verenigd met dat van O.L.Vrouw in de kapel, dat één mis oplegde.
Ter wille van deze vereniging wordt aan de pastoors de strenge plicht opgelegd op zon- en feestdagen de missen te celebreren en andere goddelijke diensten te verrichten. De pastoor moet daarenboven resideren in de parochie en die zelf besturen.
In 1609 verenigt Miraeus, bisschop van Antwerpen de bovengenoemde beneficiën nog nauwer. Hij verenigt namelijk de altaren van de H.H.Antonius, Barbara en Gregorius in de Kerk met die van Sint Jan en O.L.Vrouw in de kapel. Daarvoor moet de kapelaan de vroegmis lezen op zon- en feestdagen en de bisschop annecteerde er ook de "zielerust" aan. Ondertussen had op 16 augustus 1581 een zekere Dominicus van den Nieuwenhuize een zeer belangrijk legaat afgedragen aan het Sint-Annaaltaar.
Bij gebrek aan "witheren" of door onwil van de abt, gebeurt het later wel dat de bisschop seculiere priesters benoemt om de beneficiën en zelfs de parochie te bedienen. Maar om, buiten de pastoor en de kapelaan, bestendig een derde priester te hebben sticht de 74 jarige oude burgemeester Wouter van den Bergh op 12 november 1667 een "wit" beneficie. Dit voorziet missen te lezen in de Sint-Janskapel ter ere van de H.Norbertus en de H.Brigitta, en in de parochiekerk ter ere van O.L.Vrouw. Als beneficiant eist hij uitdrukkelijk altijd een kloosterling van Averbode, en die fondatie mag niet met het pastoors- of kapelaansambt verbonden worden. Daartoe schonk hij een eerste legaat van 1000 florijnen. De missen moeten opgedragen worden: een gelezen mis op maandag ter ere van Sint Norbertus, op woensdag ter ere van de H.Brigitta (beide in de kapel) en op zaterdag een gezongen mis ter ere van O.L.Vrouw in de parochiekerk. In 1668 voegde dezelfde schenker bij zijn eerste legaat nog een tweede van 1000 florijnen voor het "wit" beneficie, en Hubertus Keteleers 200 florijnen.

5. Het inkomen van de pastoor.
Wij kunnen hier niet ingaan op al de bezittingen, schenkingen en lasten die ten voordele van de parochiekerk en de pastoor vermeld worden in de onderscheiden kerkrekeningen, Manuales en dokumenten. Toch lijkt het ons interessant even te zien wat b.v. in 1770 het inkomen was van de pastoor wat betreft het regulier beneficie. Wij vonden in een verslag desbetreffende de volgende gegevens:
Het regulier beneficie behoorde aan de abdij van Averbode. De voordelen waren:
1. De pastoor heeft een derde van de oude of grote tiende van heel het dorp Weelde. Opbrengst: 200 viertelen rogge per jaar.
2. Hij geniet de gehele novale tiende.
3. Een derde van de vlastiende was voor hem, indien het vlas gewonnen werd op oude erven. Op de nieuwe erven heeft hij de hele tiende.
4. Een derde van de Lammertiende kan hij ontvangen op oude erven, maar de gehele tiende op nieuwe erven.
5. De panes praebentales brachten hem steeds 14 pond brood op per 380 roeden zaailand. Diegenen die zoveel grond niet bezaten doch en zelfstandig woonden, gaven 7 pond. Nochtans, vermits de inwoners niet wilden voldoen aan de panes en de pastoor er mede akkoord ging, had dit in negen jaren niets meer opgebracht (sic.)

6. Daarbij bezat de kerk nog:
a) een boerderij met hof en aanstede in het Laar: 1400 roeden oppervlakte.
b) de weideakker tegenover de hoeve: 300 roeden.
c) een drieske van 51 roeden.
d) de Poppelse Akker: 300 roeden.

7. Als bijkomende bezittingen geeft men in 1755 nog op:
1. De Ossenvennen: 150 roeden.
2. Een heideveld: 200 roeden.
3. Een perceel, genoemd de Borcht, met weide en een klein hofke: 270 roeden.
De huur daarvan mocht de pastoor ook innen.
Naast dit regulier beneficie waren er blijkbaar nog andere schenkingen, legaten, gunsten, gewoonten en beneficiën. Doch ook dit inkomen was niet standvastig en men kan er niet altijd even grote onkosten mede dekken. In de armoedige toestand bij het begin der zeventiende eeuw was er reeds een verzoek ingediend door de "regeerders" van Weelde bij de prelaat van Averbode. Zij opperden dat de bevolking erg "gedepaupereert" was door de "pestilentie". De prelaat beloofde dan de pastoor te helpen en schreef hun dat die ziekte (pest) een genade was van de Heer almachtig. Nog kwam er echter geen werkelijke welstand. De bevolking was niet bij machte sterk te steunen en de inkomsten waren te klein om alles te onderhouden (kerk, pastorij, kerkelijke goederen, enz.). Hierover werden vele brieven geschreven om steun en hulp van de abt. Wij weiden er elders uitvoerig over uit.
Op 21 februari 1686 deed de pastoor zijn beklag over de daling van de prijs van het graan. Hij vreesde niet te kunnen bijdragen in de onkosten, vermits hij ook de onderpastoor moest onderhouden. Deze laatste moest ter plaatse resideren, omdat er 500 communicantes waren en 100 scholieren.
Op 19 mei 1800 kwam er echter een ordonnantie vanwege het Hof van Brabant. Van nu af moesten pastoors met minder dan 300 gulden inkomen geen 20e penning meer betalen. Diegene met een inkomen tussen 300 en 450 gulden betaalden 20e penning van hetgeen ze bezaten. Pastoor Otgeri betaalde 37 stuivers.
Nochtans het leven werd duurder en in 1772 lezen wij in het Handboek van een pastoor welke zijn toestand was. Wij hebben reeds gezien welke inkomsten hij had in die tijd en stellen nu de uitgaven en onkosten daar tegenover. Hij klaagt erover dat het bier zeer slecht is en hij gedwongen is steeds wijn te schenken aan de "hospites en de paters stationarissen en anderen van eenig cracteer". Elders konden de pastoors meer doen met een gulden dan de pastoor te Weelde met 4 of 5 schellingen. De pastoor moest aalmoezen geven, "bezwaart met de bestiering van den armen". Hij moet paters stationarissen logeren en andere die komen bedelen voor hun kloosters met de permissie van de bisschop. Hij moet de "landtdeken bij visitatie tracteren en logeren". Reeds drie "reysen" heeft hij de Bisschop bij het vormsel moeten logeren en trakteren. De hele tiende van Weelde, overgebracht in het cahier van 1686, bedroeg 1253 gulden. Het was nog juist de waarde van toen ze verpacht was. Dit was de schuld van de sekretaris, die een "papenvijandt" was. Honderden jaren was de tiende minder verpacht geworden. De pastoors hadden verschillende jaren geen "genoegzame competentie" gehad. De tiende was merkelijk beginnen te "augmenteren" in 1748 of 1749. Aldus kunnen wij vaststellen dat de pastoor voortdurend te klagen had over zijn inkomen en blijkbaar moest onderdoen voor zijn kapelaan, die zich zelfs kon verheugen in een zekere overvloed en aan de kerk heel wat kon voorschieten. Anderzijds zien wij zelfs dat de schout en de schepenen beroep doen op E.H.Van Lummen gewezen kapelaan, om hen van de middelen van de kapelanie, een lening af te staan van 200 gulden aan 3% om te gebruiken tot betaling der "Fransche contributie zo in de groote magazijnen als andersinds" alsmede tot betaling van de leveringen van de keizerlijke troepen.

6. Moeilijkheden met de prelaat van Tongerlo.
In de achttiende eeuw kwam het herhaaldelijk tot botsingen met de abdij van Tongerlo. Immers, de pastoor kon niet de nodige gelden bijeen brengen voor het onderhoud van zijn kerk en pastorij. Meermaals verzocht hij om steun van Tongerlo, die de tienden opstreek in Weelde. Wij komen verder terug op de feiten die zich daarrond voordeden. De toestand werd tamelijk ernstig in de tweede helft van de achttiende eeuw, wanneer een pastoor in zijn dagboek enkele "Reflectien" neerschreef: "Het leven is hier duur, zo schrijft hij, en wij kunnen de stad niet bereiken om wille van de grote afstand. Wij leven hier zeer eenzaam aan de grenzen van Holland. De kerk heeft te weinig inkomsten en de uitgaven zijn te groot: miswijn, kostersloon, schuren, wassen, H.Olie halen, enz...."
De "regeerders" hadden over honderden jaren reeds rekwesten ingediend om de kerk te repareren. De prelaat beloofde tussenkomst en wat geld, toegewezen op de tienden, maar het waren slechts kleine giften. De kerk kon slechts onderhouden worden door de kollekten en offers. Sedert tweehonderd jaar had Tongerlo geen contributie betaald. Aldus had Tongerlo meer dan 200.000 gulden ingetrokken, zonder de minste last te dragen. De pastoor zelf had de reparatie betaald tot 1753. De grote klok had 2 à 3 jaren niet meer kunnen luiden omdat "het bellefort" versleten was. In het jaar 1765 waren 3 grote vensters bijna helemaal uitgewaaid. Het dak was zodanig versleten dat het water overal doorsijpelde zelfs tot in het tabernakel. En als de pastoor zulks liet weten en verzocht om herstel, dan werd hij niet aanhoord. Op bevel van de prelaat kwamen dan de provisors Hermans en Jacobs bij pastoor Smeesters, maar zij deden niets. Enige weken later kwam 's morgens de provisor Hermans opnieuw. Hij zou mee naar de kerk gaan zien, want hij had glazenmakers meegebracht om de ramen te maken. De provisor beschuldigde de pastoor dan van te groot vertrouwen en weigerde het werk te beginnen, tenzij de pastoor zelf bijdroeg. De pastoor zegde de bijdrage toe, ingeval Tongerlo ook zou bijdragen in het herstel der pastorij. Dit alles bleef weer zonder gevolg. Drie jaren later op 30 september kwamen de pastoor van Poppel en de provisor Hermans terug en moesten vaststellen dat, in geval de kerk niet hersteld werd, de goddelijke diensten er niet meer konden geschieden. De pastoor moest dan zeggen wat hij kon geven. Men kwam overeen tot een bijdrage van een negende, hetwelk zij herleidden tot een achtste deel. Aldus werden de ramen hersteld, maar ook de muren, het dak en de toren waren in zeer "ruineuse" toestand. Daarbij was de pastorij vervallen en had de onderpastoor geen voldoende "competentie". Met de "camerlinck" van Averbode ging de pastoor dan bij de prelaat van Tongerlo. Deze laatste wilde de zaak afhandelen langs de advokaten uit Brussel. Hierin kwam men overeen. De advokaten De Swerte en Baeten brengen dan advies uit. Zij getuigen dat de pastoor moet bijdragen in "merkelijke reparatiën" aan kerk en pastorij indien hij meer inkomen heeft dan zijn uitgaven. Dit laatste werd vastgesteld op 800 gulden.
Ondertussen echter scheen een persoonlijke vete ontstaan te zijn tussen de pastoor en de prelaat. Waarschijnlijk is deze het gevolg geweest van de financiële moeilijkheden. Op 20 februari 1760 immers schreef pastoor Smeesters aan de prelaat van Tongerlo een brief waarin hij getuigt dat hij begin oktober 1759 naar Tongerlo wilde komen, maar dat de 5e van die maand de provisor Van Weirt te Weelde op de pastorij kwam aankloppen en er 2 uur bleef. Deze laatste beloofde binnen de veertien dagen terug te komen om de hangende zaken der novalia en kerk te regelen. Hij kwam echter niet.
De 12e februari was hij te Ravels geweest, maar niet te Weelde. Ondertussen had de pastoor vernomen dat de provisor in oktober in Weelde Straat geweest was en dat hij overnacht had bij het vee. Daar had hij van de gelegenheid gebruik gemaakt om argumenten in te zamelen tegen de pastoor, maar hem niets gezegd omtrent het bezoek. De pastoor gaat dan verder: "Ik heb nu al zolang gewacht: regel toch de zaken van de novalia en de kerk, want in mei komt de bisschop". Hij beschrijft dan hoe ze hem beschuldigd hebben van nutteloze onkosten aan de kerk. "Dit is niet waar, schrijft hij, alles was nodig. Het geld kwam van de kapel, rondhalingen te Weelde en Antwerpen (300 gulden), het toegestuurde geld en de "ornamenten" heb ik gebedeld. Ze moeten mij loven in plaats van af te breken, meent hij". En zijn besluit "Is 't wonder dat mijn gal in beweging komt?"

7. Morele toestand en levenspeil.
In het begin der achttiende eeuw kondigde zich een geleidelijke verzwakking aan van het morele en godsdienstige leven. Waar vroeger de nauwe samenwerking tussen het wereldlijk gezag en de pastorij symbool was van een kleine "res publica christiana", werd de zeventiende eeuw gekenmerkt door een voortdurende strijd om redenen van financiële aard. Hierover spraken wij uitvoerig elders in onze inleiding. Deze verhouding bracht ook een gestadige verwijdering mee van de godsdienstige tradities onder de bevolking. Aldus zien wij regelmatig protesten indienen bij de pastoor over minder aangename toestanden.
De jeugd vooral leeft losser... In een niet gedateerd stuk uit de zeventiende eeuw, klaagt een onbekende pastoor van Weelde over het misbruik van de jeugd bij het afsterven van een "jonkman" of een "jonge dochter". Zij hebben namelijk de gewoonte aangenomen bij deze gelegenheden kransjes te houden, wat niet past bij de ongelukkige gebeurtenis. De pastoor gaat zover dat hij het bisschoppelijk gezag er wil inroepen. In een akte van 1793 geraakt het tot een dispuut tussen de pastoor en het gemeentebestuur, omdat dronkaards 's nachts op het kerkhof kwamen en er de put en andere zaken schonden. Hij besluit dan de put maar af te breken. Hier insinueert de pastoor op de drankmisbruiken.
Maar de gemeente was ook niet vrij te pleiten van loomheid en slecht beheer. In de jaren 1750 immers kloeg de pastoor de schout en de schepenen aan wegens hun wanbeheer en slechte wil. De sekretaris was een "paepenvijandt".Wij stellen inderdaad vast hoe gebruiken veranderen. Karakteristiek voor de nieuwe mentaliteit is het feit dat in de statuten van de Sint Antonius gilde in het vijfde artikel wordt voorgeschreven, dat wanneer een gildelid sterft de familieleden 16 stuivers moeten betalen aan de oudste deken om het lezen van een mis voor de afgestorvenen te bekostigen. Rond 1700 wordt deze bepaling geschrapt en een nieuwe ingelast die voorschrijft dat men voortaan een halve ton bier moest geven voor de Confrerie.
Het is dan ook vanaf de achttiende eeuw dat de rekeningen aandikken in de handboeken van de gilden wat betreft het verbruik van bier. Het is natuurlijk niet steeds mogelijk dat de pastoor over voldoende gezag beschikt om dergelijke gewoonten te voorkomen. Het geestelijk gezag speelt daarin echter een grote rol. Wij hebben het bewijs voor de hand dat er in die tijd wel eens een onderpastoor kwam die er zelfs geen beroep op kon doen.
Op 10 augustus 1696 schrijft de pastoor Severinus Otgeri naar de sekretaris van de bisschop van Antwerpen en klaagt hij er over zijn onderpastoor, die volstrekt onbekwaam was voor zijn ambt. Hij heeft geen stem, kent geen noot muziek en kon niet fatsoenlijk de mis zingen. Deze zaken verwekken steeds een zekere hilariteit. Er moet dan ook een nieuwe komen. Waarmede de achteruitstelling van de parochie juist verband hield weten wij niet, maar het is een feit dat in de 17e eeuw reeds Weelde van de eerste naar de derde rang was vervallen.

D. Wederwaardigheden in de achttiende eeuw
De Franse Revolutie hield de godsdienstige evolutie tegen. Er kwam een ommekeer in het sociale en religieuze leven, toen Thierrot op 5 februari 1797 de kerken te Ravels en Weelde deed sluiten.

E. Het geestelijk bestuur na 1801.
Weelde bleef onder het bisdom Antwerpen tot 1801. In dit jaar werd het aartsbisdom Mechelen gehergroepeerd en kwam Weelde onder nieuw toezicht. In 1825 werd Weelde, behorend tot het kanton Arendonk, ingedeeld bij de dekenij Geel en in 1837, deelde Mgr. Sterckx het bisdom Mechelen opnieuw in 24 dekenijen in. Weelde bleef echter nog onder Geel tot in 1873, wanneer het bij Turnhout werd gevoegd, waartoe het thans nog behoort.

F. Korte historiek van de kerk en haar kunstschatten.
De Kerk van Weelde moet gesticht zijn ofwel heropgericht omstreeks 1260. Over haar wederwaardigheden in de 13e en 14e eeuw is ons niets bekend. Waar er in de vroegste akten slechts sprake is van een "capella", zien wij thans een merkwaardige toren. Het is vanaf de opbouw van deze toren dat de dokumentatie ons de geschiedenis van de kerk openbaart.
De huidige kerk dateert van 1529. Zij bezit een prachtige toren die kan vergeleken worden met de torens van Hoogstraten, Sint Lenaarts, Rijkevorsel, enz... Reeds in de zeventiende eeuw waren herstellingen noodzakelijk en de pastoor liet dan ook niet na in een brief van 15 mei 1605 de abt van Tongerlo om zijn steun te verzoeken voor het herstel van de kerk. Hierbij herinnert hij aan een vroeger ingediende vraag (sept.1604) om hem in ruil voor de grote tiende een redelijke subsidie te willen toekennen. Inderdaad, in 1605 werd het verzoek ingewilligd en de pastoor mocht dan een zekere som in ontvangst nemen. Helaas, in 1609 werd de pastoor opnieuw verplicht zich tot Tongerlo te wenden voor steun, want dit jaar werd de kerk geteisterd door een onweder. De toelage werd niet zo gemakkelijk verleend, want volgens het getuigenis van pastoor Annaerts moest de kerk wel eens een beroep doen op de steun van de kapel: "Ecclesia multum debet Capelle" schrijft hij in zijn Manuale. Bij deze laatste aanvraag belooft Symon van Zon in een apostille eerst een officier te sturen om een verslag op te maken en de rekeningen na te zien, waarna dan het nodige zal gedaan worden. In 1649 werden er te Weelde zelf op de Hoogeindse Bergen vier klokken gegoten voor de kerk: de grote (Sint-Michiel), die van Onze Lieve Vrouw, die van Sint Jozef en de kleine klepklok. Om ze te betalen gebruikte men het geld van de kerk, de H.Geesttafel en dat van de omhalingen in de Sint-Janskapel.
In 1650 bestelt Robert Lomberti, rector der kerk van Cortenbosch het altaar (ws. dat van O.L.Vrouw) aan Jan Berlande, schrijnwerker te Sint-Truiden voor 593 gulden 15 stuivers. Clanti van Sint-Truiden maakt het ijzerwerk voor 12 gulden 19 st. Het schilderen van het motief "Rosa mystica" kost 2 gl. 10 st. en dat van het O.L.Vrouwbeeld 37 gl. 10 st. Dit alles werd te Sint Truiden uitgevoerd. De prelaat van Averbode deed het altaar tot in Averbode brengen op zijn kosten. Een aantal landbouwers gingen het daar afhalen en kregen een verteer te Kasterlee, Geel, Averbode en Turnhout. Het schilderij "Hemelse Vader" boven het altaar werd door Jacques Nieuwlandt gemaakt voor 6 gl. 6 st.
Vroeger stonden er op de toren vier torentjes, waarvan één zo erg in verval geraakte dat in 1662 een kollekte werd gehouden en een lening werd aangegaan voor het herstel. In 1680 kwam het tot een overeenkomst voor het maken van een nieuw altaar met Peter Dillen. Soms gebeurde het wel dat de pastoor veranderingen deed aan de kerk zonder het advies te vragen van de schout en de schepenen en dan kwam het tot niet aangename verhoudingen, zoals boven is uiteengezet. Op 9 november 1692 werd tussen de pastoor en Arnoldus Quellinus een overeenkomst gesloten voor het maken van de afsluiting rond de doopvont voor de prijs van 400 gulden. In 1693 is het werk klaar. In 1728 werd de nieuwe monstrans gemaakt door Jacop Smits, zilversmid te 's Hertogenbosch en in 1749 werd de laatste afbetaling gedaan voor de nieuwe kandelaren, vervaardigd door Alexander Fernandus. Een nieuw wierookvat werd aangekocht in 1754. In 1759 werden nieuwe glasramen besteld, doch hiervoor had de pastoor nogmaals verzuimd de toelating te vragen aan de schout en de schepenen met het gevolg dat er protest opging, waarop de pastoor in een antwoord verwees naar de overeenkomst van 20 april 1684, waarbij zulks toegelaten was. In 1770 werd een nazicht van de kerk noodzakelijk en de pastoor schreef een bedelbrief naar Tongerlo, maar er ontstond een twist tussen de provisor van Tongerlo en de pastoor omtrent de toelagen voor het herstel der kerk en pastorij. Deze twist werd opgelost door het advies van de advokaten, De Swerte en Baeten die bepaalden welke bijdrage de pastoor zelf moest leveren voor het herstel van genoemde gebouwen en voor het onderhoud van de onderpastoor. Alles verliep min of meer normaal tot in 1841 de grote ramp kwam.
In een herberg nabij de kerk ontstond een twist tussen de herbergier en een bezoeker. Deze laatste had reeds een hele rekening te betalen, zodat de herbergier niet meer wilde inschenken. De verbruiker stak kwaadwillig de schuur in brand achter de herberg, zodat de vonken omhoog stegen en door de galmgaten de kerk binnendrongen. De spits vatte vuur en een groot gedeelte van de kerk werd vernield. De mooie torenspits werd dan vervangen door het huidige stompe torentje.
In 1842 werden reeds de voorbereidselen getroffen voor het herstel. De plans lagen hetzelfde jaar klaar en het lastencohier kon reeds neergelegd worden. Na veel geschrijf kon in 1844 met de bouw begonnen worden. Het werk werd besloten met de nieuwe vloer in 1846. Een nieuwe orgel werd aangekocht in 1844. Ten slotte werd in 1887 de aanbesteding voor de oprichting van een kruisweg overgemaakt, terwijl Zijne Eminentie Kardinaal Sterckx, aartsbisschop van Mechelen in 1867 het nieuw beeld van Weelde's heilige Nicolaus Poppelius, plechtig had gewijd. Rond de kerk ligt het kerkhof. Dit was tot in 1860 met een haag omgeven. Dan werd er een stenen muur rond gezet, die er nu nog staat. Bij de inhaling van E.H.Jacops werd de weg rond de kerk met stenen voorzien (1896). De voornaamste beelden die de kerk bezit zijn die van de H.Nicolaus Poppelius, Sint Anna, de H.Apollonia en Onze Lieve Vrouw, de H.Joannes en de H.Brigitta. Rond 1900 werd er in de Singel, dicht bij de kerk een kapelletje gebouwd ter ere van O.L.Vrouw, terwijl er reeds een stond op de Dijk ter ere van de H.Familie, en er werd een opgericht bij het Laar (in 1953) eveneens ter ere van O.L.Vrouw.

G. De pastorij.
In de zeventiende eeuw was de pastorij op het Geeneinde gelegen, tot plots de mogelijkheid zich bood een betere ligging binnen het bereik van de kerk te verkrijgen. Het oude kasteel of het Hof ten Bergen was verdwenen en de grond met de Borcht kwam te koop. Op 13 juni 1627 werd een overeenkomst bereikt en de verkoopakte van het hele goed werd ondertekend. Pastoor Zebrecht van Dungen (Sebertus Dungen) richtte er dan een pastorij in.
Dezelfde pastoor Dungen verkocht het volgend jaar op 21 maart aan Dierk van Hessel voor de erfgenamen van Juffrouw Ida van den Nieuwenhuize, de vrouw van jonker Godfried Dubsleins een cijns van 15 gulden per jaar (te betalen in 's Hertogenbosch) op de hofstede die stond op het hof. In 1631 werd overeengekomen dat het Hof, met het water errond en de Bogaard eigendom zullen zijn van de pastoor en er werd meteen overeengekomen dat hij ook over het water mocht planten.
Daarmee was dus de pastorij ingericht en zij bleef van dan af op diezelfde plaats tot nu. Of zij van de aanvang af zo comfortabel was als behoort, mogen wij niet beweren. Immers omstreeks 1772 lezen wij in een dagboek van een der pastoors dat het pastoreel huis gebouwd was en onderhouden werd door de pastoors. Het was daarom, zo schreef hij, dat het zo slecht en in 't eerst maar "quasi rustica casa" was. Ene of andere pastoor had wat bijgebouwd doch het gebouw was nog met stro gedekt. Ondanks het feit dat de toenmalige pastoor gedurende de 26 jaar van zijn bediening, jaarlijks gemiddeld 200 gulden uitgaf aan reparaties van kerk en pastorij, toch is de pastorij nog in zeer slechte staat en, gezien de hoge ouderdom (meer dan 100 jaar), waren voorzeker 2000 gulden nodig voor het herstel. Hij meende dat de grote tiendeheffers dat moesten bekostigen.
Verschillende verzoekschriften werden aan de prelaten van Tongerlo en Averbode overgemaakt met het oog op het bekomen van steun voor het onderhoud van de kerk en de pastorij. Door metser en timmerman werd op 10 april 1774 een attest opgesteld dat de pastorij aan pastoor Smeesters op 20 jaar tijd meer dan 4000 gulden gekost had aan reparatiën. Dit werd als bezwarend feit voorgelegd, doch in feite kwam er niet veel van verbetering, tot op 11 november 1865 de gemeenteraad de veranderingswerken goedkeurde voor de pastorij. De hoeve, die verbonden was aan de pastorij, werd verhuurd. Zo zien wij dat op 28 december 1785 pastoor Huysmans zijn stede verhuurde aan Joannes Van Eyndhoven en Anna de Bont. De huur bedroeg 76 gulden voor de hoeve, 15 gulden voor het Herman Noyes en 6 gulden voor een heiveld. Hij behield echter het recht de Borcht (gracht) zelf te gebruiken en elk jaar 6 karren mest te mogen ontvangen voor zijn eigen hof.
Thans is de pastorale hoeve verdwenen; op dezelfde plaats, staat een nieuwe boerderij, maar als privaat bezit van een landbouwer. De pastorij ligt thans nog op de Berg en heeft een zeer rustiek karakter.

H. De Heilig-Geesttafel.
Onder de talrijke stichtingen speelt deze voorzeker een grote rol, tot aan de Franse revolutie. Enige tijd bestond zij naast de armentafel waarin zij later de voortzetting vond. Deze bestaat thans nog als "armenbestuur". Gramaye verhaalt dat zij door een zekere Joannes Cornelius en ten voordele van de armen voldoende begiftigd was. Waarschijnlijk moet zij reeds bestaan hebben vanaf 1453, vermits dat jaar "een geestelijk-weirelijck beneficie wordt opgereght onder de bescherming van den H.Geest", hetzelfde beneficie als dat van Sint Antonius.
De rekeningen van de Heilige-Geesttafel beginnen rond 1561 en lopen tot 1755. Het geld kwam bijeen door stichtingen en werd vooral geschonken door testament. Bijna in ieder testament staat een legaat vermeld ten voordele van deze tafel. Aldus moet haar werking zeer intens geweest zijn. Dit blijkt nog uit de talrijke toponiemen die op die instelling wijzen. Wij vermelden in ons glossarium negen toponiemen die alle bezittingen van deze tafel aanduiden, zij lagen op het Geeneinde en in de Eelsestraat. Daarnaast werden door landbouwers renten gesticht op goederen ten voordele van de Heilige-Geesttafel. Aldus sticht op 30 september 1554 een zekere Symons verschillende renten op zijn goederen ten laste van Jannen Mierdmans en ten voordele van de Heilige-Geesttafel, de kerk en de pastoor.
Een soort boete kon ook wel eens in het voordeel van de tafel uitvallen. Zo lezen wij op 15 januari 1524 dat, als de beneficiant van de Sint-Jorisgilde niet aan zijn residentieplicht voldeed en "niet wettelijk belet zijnde zal veronachtzamen die misse te celebreren, hij alsdan zal gehouden zijn te betalen twee en halve stuiver te verkeeren tot profijt van het fabriek ende van de Arme-Tafel. Ende ingeval van gene personale residentie dat alsdan de kerk en de Arme-Tafel meester desselfs emolumenten zullen trekken mits de conditie dat zij voor den geannecteerden last zullen gehouden zijn te zorgen". In 1649 wordt vermeld dat haar geld naast dat van de kerk en de Sint Janskapel gebruikt werd voor het gieten van vier klokken te Weelde. Haar aanzien blijkt uit het feit dat de Heilige-Geestmeesters steeds worden genoemd bij de aanhef van supplieken, die Weelde tot zijn Heren richt.