L.Van Impe en R.Annaert. Prehistorische bewoning ten noorden van Turnhout: het gebied van Ravels-Weelde-Poppel.
L.Van Impe en R.Annaert. Prehistorische bewoning ten noorden van Turnhout: het gebied van Ravels-Weelde-Poppel. In: Taxandria, 1986, blz.27-39.

Toen enkele jaren geleden het studiewerk aan de gang was voor de publicatie van het door de Nationale Dienst voor Opgravingen gevoerde grafheuvelonderzoek op de "Hoogeindse Bergen" en bij de "Vlasroot" kwamen we tot een eigenaardige vaststelling. Een eerste en sterk vereenvoudigde verspreidingskaart van de grafheuvelgroepen rond Weelde toonde aan dat deze op een toch systematische manier aangelegd zijn langs de westrand van een lemig zandgebied rond Weelde. In een later stadium breidden we deze kaart in zuidelijke richting uit en voegden weer, behalve enkele oudere vondsten, nog het opnieuw gepubliceerde urnenveld op de "Raaftuinen" bij, gevolgd door de kleine maar vrij goed bewaarde grafheuvelnecropool op "Het Heike" te Ravels. Het is vooral ter gelegenheid van dit laatste onderzoek dat we een poging ondernamen om de eerste verspreidingskaart bij te werken, in de eerste plaats door toevoeging van zoveel mogelijk vindplaatsen uit de Bronstijd en de IJzertijd en in een laatste fase van oudere en, indien aanwezig, ook jongere sites.

De kaart, die als onderligger voor de verspreiding van vondsten en sites dient werd opgemaakt op basis van de topografische kaart op schaal 1/20.000, uitgegeven voor het "Institut cartographique militaire", in bijzonder de kaartbladen nrs.3/5-Maerle (nivellement 1871, herzien 1934 en uitgegeven 1938), 8/4-Weelde (nivell.1981, herzien 1928, uitgeg.1931) en 9/1-Poppel (nivell.1871, herzien 1928, uitgeg.1933). De kaart werd vergeleken met andere onder meer met de "Carte de cabinet des Pays-Bas Autrichiens" van Graaf J.de Ferraris en opgenomen tussen 1771 en 1777 en tenslotte de "Carte topographique de la Belgique" samengesteld door Ph.Vandermaelen (1837-1853). De niet gearceerde zones op de kaart stellen de drogere en armere zandgronden voor, de puntgerasterde, Zep, Zfg, Zgg, Sec, Seg, Sem, Sfg, Sfp, Pec, Peg, Pem, Pfc, Pfg, en Pfg. Op die manier hebben we een grafische voorstelling van reliëf- en bodemtoestand bekomen, die een vrij betrouwbare weergave kan bieden van het landschap sinds de 18de eeuw en zelfs eerder. Dit beeld is immers het enige waarover we beschikken en waarvan we weten dat het met behulp van moderne en vrij nauwkeurige meet- en observatietechnieken tot stand kwam. Een projectie van prehistorische vindplaatsen op zulke kaart, die zelf een veel jongere toestand voorstelt, is bijgevolg zeer misleidend en in essentie een grove vergissing: hoewel bodemtoestand, reliëf, klimaat en vochtigheid, flora en een hele reeks andere kenmerken in de loop der 3 tot 4 laatste millennia niet zo heel ingrijpend gewijzigd zijn, is dit wel het geval geweest indien men de huidige toestand vergelijkt met deze uit een nog verder verleden. De huidige verspreidingskaart kan bijgevolg niet meer zijn dan een status questionis en een uitgangspunt voor nieuw onderzoek. Het kleine repertorium van de vindplaatsen op het grondgebied van de voormalige gemeenten Ravels, Weelde en Poppel kon samengesteld worden aan de hand van een hele reeks gepubliceerde gegevens in oudere en recentere wetenschappelijke archeologische literatuur. Deze eerste inventaris kon dan later aangevuld worden met behulp van de documentatie waarover Prof.P.Vermeersch (K.U.Leuven- Labo voor Prehistorie) beschikte; met informatie die onder meer door Mevr. Krista Maes verwerkt werd in een ongepubliceerde licentiaatverhandeling "Bijdrage tot de studie van de mesolithische mikrolieten in de provincie Antwerpen" (Leuven, 1983) en waarin oppervlaktemateriaal uit heel wat privécollecties van verzamelaars en vrijetijdsarcheologen werd opgenomen; verder met gegevens die Mevr.Hilde Marichal verzamelt en bestudeert in het kader van het in de Stad Turnhout lopende B.T.K.-project "Onderzoek van prehistorische vindplaatsen te Turnhout en omgeving"; tenslotte met een massa veelal nieuwe oppervlaktevondsten, in de loop der laatste jaren bijeengebracht door de Heer C.Verbeek uit Weelde, materiaal dat P.Vermeersch en ondergetekende (L.V.I.) al aan een eerste snelle en voorlopige evaluatie konden onderwerpen.
De diverse collega's en personen waarop wij een beroep mochten doen en die gegevens en vondsten ter beschikking stelden, mogen hier onze blijk van dank vinden voor hun gewaardeerde medewerking, zonder dewelke deze kleine bijdrage niet tot stand zou gekomen zijn.

1. Vlasroot (Weelde): 2 grafheuvels (onderzoek 1966). Bibl.: L.Van Impe & G.Beex. Grafheuvels uit de Vroege- en Midden Bronstijd te Weelde. Arch. Belg.193, Brussel, 1977. Dat.: Vroege/Midden Bronstijd.

2. Litse Heide-Langven (Weelde): urn vondsten ten zuiden van het Litven, bij het Langven, in 1880; onderzoek van 4 heuveltjes in 1903; urn vondsten in 1905 ten noorden van het Langven. Bibl.: J.Stroobant. Découverte de silex taillés Tardenoisiens à Weelde. Taxandria VII, (1910), p.193.
L.Stroobant. Exploration de quelques tumuli de la Campine Anversoise. Weelde. Découverte d'une urne hallstattienne. Annales Acad. D'Archeol. Belgique LIV (1903), p.372-373. - Id. Six nécropoles à incinération limitrophes de la Campine Anversoise. Bull. Soc. D'Anthrop.Bruxelles XLII (1927), p. 111-112. Dat.: waarschijnlijk gaat het om urnen en grafheuveltjes uit de Late Bronstijd en/of de Vroege IJzertijd.

3. Hoogeindsche Bergen (Weelde): 2 groepjes van 2 grafheuvels (onderzoek 1927 en 1965-66). Bibl.: L.Van Impe en G.Beex. Grafheuvels uit de Vroege en Midden Bronstijd te Weelde. Arch. Belg. 193, Brussel, 1977. Dat.: Vroege/Midden Bronstijd.

4. Vliegveld/Oude lijn (Weelde): 3 grafheuvels (niet onderzocht). Bibl.: nihil. Dat.: waarschijnlijk Vroege/Midden Bronstijd
.
5. Groenendalse Hoef (Weelde): groep van 4 grafheuvels (urn vondst 1954, onderzoek 1957). Bibl.: G.Beex. Onderzoek van grafheuvels te Weelde. Taxandria, nr.XXX, (1958), p.1-29 (= Arch.Belg.47, Brussel, 1959). Dat.: Vroege/Midden Bronstijd.

6. Het Heike (Ravels): grafheuvelnecropool/urnenveld (onderzoek 1984/85). Bibl.: R.Annaert en L.Van Impe. Onderzoek van een grafheuvelgroep uit de IJzertijd te Klein-Ravels (Gem.Ravels). In: Conspectus, MCMLXXXIV, Arch.Belg. (in druk). Dat.: Vroege/Midden IJzertijd.

7. Raaftuinen (Ravels): urnenveld (onderzoek 1903). Bibl.: L.Van Impe. Het urnenveld op de Raaftuinen te Ravels. In: Conspectus MCMLXXVII, Arch.Belg.206, Brussel, 1978, p.25-29. Dat.: Vroege-mogelijk ook nog Midden-IJzertijd

8. Wetsberg (Ravels): urn vondst, 1901. Bibl.: L.Stroobant. Exploration de quelques tumuli de la Campine Anversoise. Weelde. Découverte d'une urne hallstattienne. Annales Acad. D'Archeol. Belgique LIV (1903), p. 389-391. Dat.: aangezien het om zgn. Drakensteyn aardewerk gaat, Midden Bronstijd.

9. Hummel (Weelde): grafheuveltjes; vondsten van asse en beenderen 1877; vondst van scherven bij nivellering heuvel 1974 (onzekere lokalisering). Bibl.: L.Stroobant. Les tombelles de Weelde. Bull. Acad. Roy. D'Arch. Belgique V (1901-02), p.520. en Y.Fremault. De Bronstijd en de IJzertijd in de Kempen. Bibliografische inventaris (onuitgegeven. Lic. verhandeling), Leuven, 1961, p.95. Dat.: geen gegevens.

10. Oud Heiveld (Poppel): vondst van urn scherven 1904 (onnauwkeurige lokalisatie). Bibl.: L.Stroobant. La Taxandrie préhistorique. Taxandria II, (1904-05), p.204. Dat.: geen gegevens.

11. Bedafse Heide (tussen Poppel, Baarle Hertog en Baarle Nassau): urn vondsten en onderzoek van grafheuveltjes 1842; nieuwe vondsten in 1902: 16 heuveltjes, grote en kleine urnen (wegens te onnauwkeurige lokalisatie niet aangeduid op de kaart). Bibl.: De Grez en Pr.Cuypers. Germaansche begraafplaats te Baerle-Nassau. In: Verhand. over de in Noord-Brabant ontdekte Germaansche Begraafplaatsen, 1842,p. 346-352.
Pr.Cuypers. Berigt omtrent eenige oude grafheuvelen onder Baarle-Nassau in Noord-Brabant. Bijdr. v. Vaderl. Gesch. Oudheidk. V. Arnhem, 1844, p.1-4.
L.Stroobant. Les nécropoles à incinération de Baerle-Duc et Baerle-Nassau. Taxandria VI (1909), p.3-4.
Ed.Loffeld. Kempisch Baarle. Gids voor Baarle-Hertog-Nassau. Baarle-Hertog-Nassau, 1979, p. 13-15. Dat.: Late Bronstijd of IJzertijd.

12. Wegmeerheide (Weelde): enkele kleine grafheuveltjes, opgemerkt in 1961 (onnauwkeurige lokalisatie), benevens concentraties vuursteen (Koll.G.Aerts). Bibl.: Kr.Maes. Bijdrage tot de studie van de mesolithische mikrolieten in de provincie Antwerpen (onuitgeg.lic.verh.), Leuven, 1983, p.231-232. Dat.: grafheuvels niet bekend (mogelijk Late Bronstijd); vuursteenconcentraties: Mesolithicum.

13. Tommel (Weelde): genivelleerde grafheuvel; neolithische bijl (?) (onnauwkeurige lokalisatie). Bibl.: L.Stroobant. Exploration de quelques tumuli ..., p.388. A.F.J.De Laet. Turnhout, de hoofdstad der Kempen. Turnhout, 1905, p.21. Y.Fremault. De Bronstijd en de IJzertijd ..., p.80. Dat.: Neolithicum en/of Bronstijd.

14. Speeksel (Weelde): oppervlaktevondsten 1984 (collectie C.Verbeek). Dat: : enkele Laat-Neolithische/Vroege Bronstijdelementen, mogelijk ook IJzertijdscherven.

15. Baarle Hertog-Donkerstraat: urnvondst 1909. Bibl.: L.Stroobant. Les nécropoles à incinération de Baerle-Duc et Baerle-Nassau. Taxandria VI (1909), p.137-138. Dat.: (Vroege) IJzertijd.

16. Baarle Hertog-Groot Tommel of Mortelberg: grafheuvels. Bibl.: L.Stroobant. Les nécropoles à incinération de Baerle-Duc ..., p.170. en Ed. Loffeld. Kempisch Baarle, p.13-15.

17. Baarle Hertog/Nassau-Molenheide: 28 grafheuveltjes ontdekt en leeg gegraven in 1842; nieuw onderzoek tussen 1900 en 1909. Bibl.: P.Cuypers. Berigt omtrent enige oude grafheuvelen onder Baarle-Nassau in Noord-Braband. Arnhem, (1844), p.4-26 en L.Stroobant. Les nécropoles à incinération de Baerle-Duc et Baerle-Nassau. Taxandria VI (1909), p.137-138 en Ed.Loffeld. Kempisch Baarle ..., p. 13-15. Dat.: Behalve Romeinse vondsten, waarschijnlijk ook oudere graven.

18. Baarle-Hertog - Klein Tommel of Paesberg: onbestembare aanwijzing van nederzetting (?). Bibl.: L.Stroobant. Les nécropoles à incinération ..., p.170.

19. Zwarte Heide (Turnhout): meerdere vuursteenconcentraties (Kollekties M.Martens, Unger, C.Verbeek en Museum Taxandria). Bibl.: K.Maes. Bijdrage tot de studie ..., Leuven, 1983, p.176-181 en K.Maes en P.Vermeersch. Turnhout Zwarte Heide. Late Mesolithic. In: Notae Praehistoricae 4, p.65-88. Dat.: vooral (Laat) Mesolithicum.

20. Leiheide (Poppel): gepolijste bijl (Koll.L.Woestenburg). Bibl.: M.Vermeeren. Prehistorie. In: Ravels in lief en leed. Ravels, 1980, p.22. - Id. Prehistorie. In: Weelde toen en nu. Ravels, 1982, p.19-20. Dat.: Laat Neolithicum en/of Vroege Bronstijd.

21. Hummelshoek (Weelde): oppervlaktevondsten, scherven en vuursteen (Koll.C.Verbeek). Dat.: Laat Neolithicum of jonger.

22. Paardsdrank (Weelde): wetenschappelijk onderzoek 1976/77; materiaal uit diverse kollekties o.a. R.Foblets, C.Verbeek e.a. Bibl.: D.Huyge en P.M.Vermeersch. Late Mesolithic Settlement at Weelde-Paardsdrank. In: Contributions to the Study of the Mesolithic of the Belgian Lowland. Studia Praehistorica Belgica 1. Tervuren, 1982, p.115-209. Dat.: Laat Mesolithicum.

23. Eindegoor (Weelde): vuursteenconcentraties (o.a. Koll.C.Verbeek). Dat.: Epipaleolithicum (Tjonger?).

24. Baetenheide (Weelde): oppervlaktevondsten, afslagen en fragment geslepen bijl (Koll.C.Verbeek). Dat.: waarschijnlijk Laat Neolithicum, mogelijk jonger.

25. Vlasroot (Weelde): oppervlaktevondsten, vuursteenconcentraties (Koll.C.Verbeek). Dat.: algemene indruk Oud Mesolithicum; een afslag van een geslepen bijl hoort in een jongere context.

26. Brouwersgoor (Weelde): oppervlaktevondsten, vuursteenconcentraties (Koll.G.Aerts en C.Verbeek). Bibl.: K.Maes. Bijdrage tot de studie ... Leuven, 1983, p.182-183, 272. Dat.: Mesolithicum (overgang van Midden naar Laat); enkele Neolithische artefakten.

27. Geeneindeloop (Weelde): enkele kleinere en grotere koncentraties (Koll.C.Verbeek). Dat.: eerste voorlopige evaluatie: Laat Neolithicum (?).

28. Speeksel (Weelde): meerdere vuursteenconcentraties (Koll.C.Verbeek). Dat.: er zijn concentraties die een Epipaleolithische (Tjonger?) indruk nalaten, andere eerder een Midden tot Laat Mesolithische; enkele scherven kunnen tot de IJzertijd horen, zijn mogelijk ouder; enkele artefacten kunnen Laat-Neolithisch (?) zijn.

29. Vlasroot-Vennekensloop (Weelde): oppervlaktevondsten in meerdere concentraties (Koll.C.Verbeek). Dat.: hoofdzakelijk vondsten die thuishoren in het Laat Neolithicum en/of de Vroege Bronstijd.

30. Vlasroot-Vennekensloop (Weelde): oppervlaktevondsten (Koll.C.Verbeek). Dat.: Epipaleolithicum of Mesolithicum.

31. Stenen Brug (Weelde): fragment gepolijste bijl, geïsoleerde oppervlaktevondst (Koll.C.Verbeek); mogelijk ook urn- of schervenvondst (melding Van Gils). Dat.: Laat-Neolithicum en later.

32. Heggebrug (Weelde): vuursteenconcentraties (Koll.Stroobant = Museum Vleeshuis-Antw.; koll. Engels = Kon.Inst.Natuurwet.Brussel; koll.C.Verbeek). Bibl.: K.Maes. Bijdrage tot de studie ... Leuven, 1983, p.188-189. Dat.: Mesolithicum.

33. (Weelde): oppervlaktevondsten, scherven (Koll.C.Verbeek, 1985). Dat.: nederzettingssporen uit de IJzertijd.

34. Eindegoorheide (Weelde): meerdere vuursteenconcentraties (Koll.G.Aerts en C.Verbeek). Bibl.: K.Maes. Bijdrage tot de studie ... Leuven, 1983, p.186-187. Dat.: Mesolithicum.

35. Hoogeindsche Bergen (Weelde): concentraties vuursteen (Koll.J.Stroobant = Kon.Inst.Natuurwet.Brussel). Bibl.: K.Maes. Bijdrage tot de studie ... Leuven, 1983, p.192. Dat.: Mesolithicum.

36. Hoogeindsche Bergen (Weelde): vuursteenconcentraties (Koll.Engels = Museum Vleeshuis, Antwerpen; Kollektie Van Hool). Bibl.: K.Maes. Bijdrage tot de studie ... Leuven, 1983, p.190-193 en J.Stroobant. Découverte de silex taillés tardenoisiens à Weelde (Anvers). Taxandria VII, (1910), p.190-194. Dat.: Mesolithicum (overgang Midden naar Laat).

37. Vliegveld (Weelde): vuursteenconcentraties (Koll. A.Goossens). Bibl.: K.Maes. Bijdrage tot de studie ... Leuven,
1983, p.213-227. Dat.: Mesolithische en Neolithische elementen.

38. Vliegveld (Weelde): idem. Bibl.: idem als 37. Dat.: Mesolithicum (Laat).

39. Vliegveld (Weelde): idem (Koll.Goossens). Bibl.: idem. Dat.: vroege fase Laat Mesolithicum.

40. Vliegveld (Weelde): idem (Koll.Engels = Museum Vleeshuis, Antwerpen; collectie P.Janssens). Bibl.: idem, p.211-212, 228-230. Dat.: middenfase Laat Mesolithicum.

41. Vliegveld (Weelde): idem (koll. A.Goossens). Bibl.: idem. Dat.: Mesolithicum; sporadische Neolithische elementen.

42. Speeksel (Weelde): fragment gepolijste bijl (Kollektie R.Foblets). Bibl.: R.Foblets. Weelde: gepolijste neolithische bijl. Archeologie 1968-2, p.60-61; pl.IX. Dat.: Neolithicum, mogelijk jonger.

43. Leemputten (Weelde): gepolijste stenen bijl (Koll.L.Paulussen). Bibl.: M.Vermeeren. Prehistorie. In: Weelde toen en nu. Ravels, 1982, p.19. Dat.: Neolithicum (of jonger).

44. Zwarte Heide (Turnhout): vuursteenconcentraties (Koll.G.Aerts). Dat.: Laat Mesolithicum.

45. Keutelberg (Weelde): vuurstenen bijl (Koll. Taxandria-Museum). Bibl.L.Stroobant. Légendes de Weelde (Anvers). Taxandria VII (1910), p.186. Dat.: (Laat) Neolithicum, mogelijk jonger.

46. De Schrieken: stenen bijl (mededeling C.Verbeek) (onnauwkeurige lokalisatie). Dat.: (Laat) Neolithicum, mogelijk jonger.

Het nieuwe verspreidingsbeeld dat we nu bekomen hebben bevestigt en versterkt het vorige. Er blijft een brede sikkelvormige gordel van prehistorische woonplaatsen en necropolen bestaan buiten de westelijke grens van het lemig zandgebied rond Weelde. Het grootste deel van deze gordel volgt de waterscheidingkam van het westelijk Markbekken en het oostelijk Dommelbekken, die in het zuidelijk deel van de kaart aansluiting krijgt met de waterscheiding tussen de hoofdbekkens van Maas en Schelde. De gordel van prehistorische sites volgt echter de Mark/Dommelscheidingskam slechts gedeeltelijk, namelijk vanaf Het Heike en de Wetsberg (nrs.7-8) tot in de buurt van de Hoogeindsche Bergen (nrs.3,26,35), waar deze afbuigt in de richting van de Eindegoorheide (nr.23) en verder in de richting van Baarle Hertog verloopt. Ten noorden van de Hoogeindsche Bergen wijkt de vondstensliert echter af en volgt deze de scheiding van zand- en lemig zandgebied. Op Nederlands grondgebied in de richting van Baarle Hertog blijkt daarentegen het aantal bekende sites af te nemen. Wij moeten er bijgevolg rekening mee houden dat naast de hoogteligging op de waterscheidingkam, die zeker een rol gespeeld heeft voor de keuze van een tijdelijk kampement, een nederzetting of de aanleg van een begraafplaats, ook andere factoren een determinerende invloed uitoefenden. Landschappelijk behoort het gebied rond Weelde binnen de zgn. "Kempen van Turnhout", tot de "subassociatie van Merksplas". Het is een gebied waarin het geologisch substraat hoofdzakelijk gevormd wordt door het Kempens kleipakket, een Oud-Pleistocene schorre-kleiformatie, die in verschillende fasen overdekt werd met pakketten fijne licht lemige dekzanden, gevolgd door grovere stuifzanden. Vooral het westelijk gedeelte van de kaart behoort nog tot dit door de wind gemodelleerd stuifzandgebied, dat er sinds lange tijd gefixeerd bijligt en lokaal nog vrij goed bewaard is. Het is langs de oost rand van dit duinmassief dat de meeste archeologische vondsten gedaan worden.
De opbouw van dit gebied kon op verschillende momenten nagegaan worden. Samengevat, rusten op het kleisubstraat en het afdekkend licht lemig dekzandpakket meerdere afzettingen van grovere stuifzanden. De eolische aanvoer heeft vooral plaatsgehad in de loop van de laatglaciale periode, onder koude en droge omstandigheden. In kortere of langere periode van opwarming trad meer neerslag op die gepaard ging met wijzigingen in het vegetatiegebied en bodemvormende processen op gang bracht. De onderzoekingen die bij diverse gelegenheden konden gebeuren toonden zo onder meer een zgn. Usselo bodemvorming aan tijdens de zachtere Allerod-fase (ca.11.800-11.000 B.P.) en een sterk toenemende eolische activiteit tijdens het daaropvolgende Jonge Dryas, een nieuwe maar tot op heden blijkbaar laatste belangrijke koude fase, waarin opnieuw de parktoendra het landschapsbeeld bepaalde. Vanaf het Preboreaal, de eerste fase van het Holoceen (vanaf ca.8000 v.Chr.), begint de langzame opwarming van ons klimaat. Dooi van de ondergrond, vervochtiging, hogere gemiddelde temperaturen en hogere neerslag leidden op termijn naar de vorming van het zgn. Atlantische bos dat reeds zeer gevarieerd van samenstelling moet geweest zijn (o.a. minder den; vooral eik, olm, els, es, berk, linde en hazelaar). De toename van de relatieve vochtigheid ingevolge de oceanisering van het klimaat, de langzame zeespiegelstijging en de hieruit volgende afgeremde bodemontwatering leidden tot een algemene verhoging van de grondwaterspiegel. Dit fenomeen wordt aan de hand van 14C-onderzoek vanaf ca.4200 B.P.gedateerd.
Tijdens het Subboreaal, toen het klimaat opnieuw meer continentale trekjes vertoonde dan in de vorige fase, werd op deze evolutie wat de rem gezet. Vanaf het Subatlanticum, een klimaatfase die vooral vanaf de Late Bronstijd opnieuw door maritieme invloeden gekenmerkt wordt, kennen we in het vegetatiebeeld onder meer de definitieve en opvallende doorbraak van de beuk. Onder menselijke invloed worden bosbestanden uitgedund en krijgen andere vegetatietypen een kans om zich te ontwikkelen- denken we maar aan de heide -, hoewel de uitbreiding van deze laatste niet algemeen is geweest, soms lokaal beperkt en het bosbestand hier en daar snel kon regenereren. Het zeer rudimentair geschetste beeld is ook dit dat de mens heeft gekend sinds het Epipaleolithicum. Artefacten die menselijke aanwezigheid tijdens het Paleolithicum aanwijsbaar maken zijn niet direct van het veld te rapen en blijven in het hele Kempense gebied toch vrij zeldzaam. Voor een deel kan deze lacune te wijten zijn aan het natuurlijke milieu dat niet zo uitnodigend was voor langdurig verblijf, deels ook door de diepte waarop ze aanwezig zouden kunnen zijn en waardoor ze aan de oppervlakteprospectie ontsnappen.
Frequentere menselijke aanwezigheid, ook al gaat het slechts om tijdelijke kampementen, is op de kaart duidelijk merkbaar voor het Epipaleolithicum en het Mesolithicum, beide archeologische perioden die een goed deel van het Laatglaciaal tot en met de eerste helft van het Atlanticum omvatten. Het Neolithicum, dat men in de tweede helft van het Atlanticum ongeveer vanaf ca. 4000 v.Chr. kan dateren, is in de Kempen vrij moeilijk te vatten. Onze kennis berust er vooral op een groot aantal oppervlaktevondsten, hoofdzakelijk gepolijste stenen bijlen en voor de latere fase op materiaal, dat aan de zgn. Bekerculturen toegewezen kan worden. De prospectieresultaten rond Weelde bieden hier waarschijnlijk enkele nieuwe perspectieven: het ingezamelde oppervlaktemateriaal ligt in duidelijk gescheiden concentraties, onder meer in de buurt van de grafheuvels bij de Vlasroot (heuvels: nr.1; meerdere vuursteenconcentraties: nr.29), op de Hummelshoek (nr.21) en op de Baetenheide (nr.24), tenslotte ook nog op het Speeksel (nr.14; mogelijk ook nr.28). Deze enkele concentraties geven duidelijke aanwijzingen voor de aanwezigheid van nederzettingssporen in de ondergrond. Aangezien het onderscheid tussen oppervlaktevondsten uit het Late Neolithicum en de Vroege Bronstijd moeilijk met zekerheid te maken is, staan we op dit ogenblik voor de vraag of onder meer bij de Vlasroot de nederzettingssporen met de Vroege/Midden Bronstijd grafheuvels geassocieerd mogen worden, dan wel nog een oudere bewoningsfase vertegenwoordigen.
Op het ogenblik van de publicatie van de grafheuvelopgravingen bij de Vlasroot in 1977 waren we er van uitgegaan dat de nederzettingen van deze lieden best in de lemige zandzone, eerder dan in het duinengebied opgespoord konden worden: de bodem is er vochtbehoudender en iets geschikter voor landbouwdoeleinden. Aanwijzingen voor de aanwezigheid van nederzettingen en de ligging van de akkers waren er toen nog niet en bleken zelfs niet direkt afleesbaar uit de resultaten van het palynologisch onderzoek. De enkele ingewaaide pollenkorrels van graangewassen op het oud oppervlak onder heuvel IV bij de Groenendalsche Hoef en op een plag in de kringgreppel rond heuvel I bij de Vlasroot zijn zeker geen aanwijzingen voor akkerbouw in de onmiddellijke buurt van de heuvels zelf. Er dient bij opgemerkt dat de enkele tarwepollen korrel uit heuvel I bij de Vlasroot de tweede bouwfase van de heuvel vertegenwoordigt, die binnen het pollenspectrum heel wat jonger dan de eerste gedateerd zou kunnen worden. Uit de diverse spectra blijkt dat de menselijke invloed in de buurt van de begraafplaatsen vrij gering is geweest. Aangezien uit andere opgravingen en pollenanalysen, onder meer in Nederland, de beoefening van landbouw aanwijsbaar is, moet zeer waarschijnlijk ook rond Weelde met die vorm van voedselvoorziening binnen het economisch patroon van de Bronstijdnederzettingen rekening gehouden worden.
Het probleem -de ligging van de nederzetting ten opzichte van de begraafplaats, en deze beide ten opzichte van de plaats van voedselproductie, de akkers- stelt zich op identieke wijze voor de andere grafheuvelgroepen en urnenvelden uit de Late Bronstijd en de daaropvolgende IJzertijd. Uit meerdere pollenspectra wil blijken dat menselijke tussenkomst in het landschap ingrijpender geweest is dan in vorige perioden. De verwachting dat ook in deze jongere perioden de nederzettingen binnen het lemig zandgebied kunnen gevonden worden wordt op dit ogenblik tegengesproken door een eerste vondst van aardewerkscherven in een ondiepe kuil, die zonder enige twijfel uit de IJzertijd stammen en een woonplaats uit die periode verraden. Deze vindplaats ligt op de linkeroever van de Aa, op een droge zandbodem en buiten, maar ditmaal aan de oostzijde van de lemige zandzone (nr.33).
De hoger geschetste klimatologische en landschappelijke evolutie is natuurlijk even geldig voor het lemig zandgebied als voor het duinlandschap. Het wekt bijgevolg toch enige verwondering dat in een zone die vanuit modern oogpunt aantrekkelijker is voor economische activiteiten, vooral landbouw en mogelijk ook veeteelt, zelfs bewoning, op enkele geïsoleerde oppervlaktevondsten niet te na gesproken, helemaal geen uitgesproken woonarealen uit de prehistorie oplevert. Het landschap is in dit gebied minder ingesneden en geaccidenteerd dan in het westelijk duinlandschap, wat in belangrijke mate een gevolg is van de egaliserende werking van middeleeuwse en moderne agrarische activiteiten. Natuurlijke oneffenheden zijn er weggewerkt, lager gelegen terreingedeelten werden opgevuld. Oude woonplaatsen, zo deze aanwezig waren, kunnen op die manier opgeruimd zijn, andere daarentegen overdekt. Daarbij komt nog dat vooral rond de middeleeuwse dorpskernen de oude akkers door middel van plaggenbemesting konden worden verbeterd. Deze methode betekende op termijn een langzame maar zekere verdikking van de teellaag: onderliggende artefacten en aardewerkscherven, indicatoren voor de aanwezigheid van verdwenen verblijfplaatsen kunnen bijgevolg bij het ploegen niet meer geraakt en naar de oppervlakte gekeerd worden. De onbereikbaarheid van zulke archeologische resten en de bijgevolg logische afwezigheid van oppervlaktevondsten kan een verklaring bieden voor de archeologische lacune in het lemig zandgebied. Hier dienen we toch op te merken dat we ons zulk spoorloos verdwijnen zeer goed kunnen indenken voor zover we het hebben over kleine woonplaatsen en tijdelijke verblijfplaatsen, vuursteenconcentraties van geringe omvang of hovingen uit de Bronstijd en de IJzertijd, die misschien slechts een beperkte oppervlakte besloegen. Daarentegen hebben we wel enige moeite om ons ditzelfde proces toegepast in te denken bij grotere grafheuvels en urnenvelden. Hoewel heel wat grotere grafheuvels -waar het dan toch gaat om aardhopen van ca.20 tot 30 meter doormeter met een hoogte van 1 tot 1,50 meter- in de loop der eeuwen genivelleerd kunnen zijn, komt het ons toch als zeer onwaarschijnlijk voor dat ook deze monumenten geheel en systematisch opgeruimd zouden zijn zonder ook maar een enkel spoor achter te laten.
De aanwezigheid van een hele reeks en tot nu toe van alle bekende grafheuvels en urnenvelden, van een aantal grotere concentraties aan oppervlaktevondsten en van een IJzertijdnederzetting buiten de lemige zandkern doet toch de hypothese aan kracht winnen dat in ieder geval vanaf het Laat Neolithicum of de Vroege Bronstijd de lemige zandbodems om een of andere reden voor langdurig verblijf minder geschikt geweest moeten zijn. Een verklaring is er voorlopig voor dit fenomeen niet te geven, vooral niet omdat het wat in tegenstrijd is tot de verwachting de nederzettingen ingeplant te zien op de drogere plaatsen langs de valleiranden, zoals dit bijvoorbeeld het geval is met de schaarse vondsten langs de Geeneindeloop (nr.27), de Aa (nr.33) en eventueel ook bij de Stenen Brug (nr.31). Het zijn nu juist die topografische trekpleisters die ontbreken in de gordel waar de meeste vondsten voor de dag komen. Zou men er kunnen van uitgaan dat het bronnen rijk en vochtiger lemig zandgebied inderdaad te vochtig was, althans in sommige perioden, en voor langdurig verblijf bijgevolg minder aangewezen?
Met onze bijdrage hier lag het niet in de bedoeling een verklaring aan te reiken voor het eigenaardige verspreidingsbeeld dat van de kaart kan afgelezen worden. Eerder was het onze bedoeling de inventaris en de bijhorende kaart als startblok aan te bieden voor een volgende fase in het onderzoek. Er zal immers niet alleen aandacht moeten gaan naar doelgerichte opgravingen, die op hun beurt weer een hele reeks andere onderzoekingen op gang kunnen brengen, maar misschien nog meer naar een grondiger en systematischer uitgevoerde veldkartering en oppervlakteprospectie. We zullen er ons uiteindelijk moeten van vergewissen of het beeld dat we ons nu over de aanwezigheid van de prehistorische mens in de heide te noorden van Turnhout beginnen te vormen, niet al te veel vervalst wordt door secundaire factoren waarop de archeologie geen controle heeft, zoals de invloed van middeleeuwse en moderne landbouwtechnieken, de heideontginningen, de economische basis voor bepaalde vegetatiemodellen en de begeleidende beheerstechnieken, vernielende infrastructuurwerken en noem maar op. Dit is een taak waarin een vereniging zoals de "Geschied- en Oudheidkundige Kring van de Antwerpse Kempen-Taxandria" actief kan participeren en waardoor ze opnieuw de traditie kan opnemen van enkele van haar illustere stichters en leden.

Ravels Weelde Poppel
Heemkunde- en Erfgoedvereniging Nicolaus Poppelius vzw