Placeholder Picture

Heem en Museum, Dorp 64, 2382 Poppel (gem. Ravels)

Home
Bestuur
Museum
Contact
Ere Lied
Placeholder Picture

Heemkunde- en Erfgoedvereniging
Nicolaus Poppelius vzw

Nicolaus Poppelius
Biografie van  Nicolaus Poppelius (deel 3)
door Marc Vermeeren

6 De beeltenis

Na de marteldood van de Martelaren van Gorcum wendden de inwoners van Gorcum zich tot de Gorcumse schilder Jan Tibout Dirkzoon, met het verzoek afbeeldingen te maken van de martelaren. Hij voltooide in 1573, het jaar na de marteldood, uit zijn herinnering en zijn sterk voorstellingsvermogen 15 afbeeldingen die de gelaatstrekken weergaven van de 15 martelaren die hij te Gorcum lang en van nabij had gekend.
Einde juli 1574 bevestigden drie geboren Gorcummers, namelijk Jan Janse Robertz, pastoor van het dorpje Arkel, Simon Janse Cock, kapelaan van Gorcum en Willem Mathijs zoon, burger van Gorcum, evenals broeder Jacobus van Gemert en broeder Paulus van 's-Hertogenbosch, beiden uit het Minderbroedersklooster van Gorcum, dat de door Jan Tibout Dirkzoon gemaakte portretten zeer goed getekend waren en dat de martelaren zeer goed herkenbaar waren. Later verklaarden broeder Philips van Brussel en Herrie van Nes dat dit inderdaad zo was.
Deze door zeven personen afgelegde verklaring heeft samen met de door Jan Tibout Dirkzoon getekende portretten een belangrijk aktestuk uitgemaakt in het proces, dat van 1660 tot 1664 te Namen doorging in verband met het onderzoek van de mirakelen die aan de Martelaren werden toegeschreven. Sommige auteurs vermoeden dat de originele portretten getekend door Jan Tibout Dirkzoon van Namen uit naar Rome werden gezonden met het oog op de zaligverklaring. In het Vaticaan zijn deze portretten echter niet terug te vinden. Cornelius Musius, een geleerd priester uit Delft heeft voor de portretten prachtige Latijnse verzen geschreven. Aangezien Musius zelf enkele maanden na de Martelaren van Gorcum op 10 december 1572 te Delft werd vermoord, moet Tibout zijn portretten reeds in 1572 voor het grootste gedeelte hebben getekend. Het lofdicht dat Musius voor het portret van de Heilige Nicolaus Poppelius dichtte luidt zo:

Servulus a populo per risum agnomine dictus
ob servitutem tam piam gavisus est
ut placide cum collega sociisque laborum
convenerat, sic morte dispar nec


Van de in 1572 vervaardigde portretten zijn omstreeks 1615 door Jacobus Matham staalgravures vervaardigd. Zijn bekwaamheid staat er borg voor dat hij de gelijkenis van de tekeningen van Jan Tibout Dirkzoon volmaakt heeft overgenomen. Zoals de zaken nu staan zijn de gravures van Matham de oudste portretten van de Martelaren van Gorcum. Al het andere wat daarna is gemaakt (hetzij geschilderd, gegraveerd of getekend) is namaak en heeft niet meer waarde dan een goede, slechte of soms zelfs belachelijke copie. Pater Boener gaf in 1623 een boekje uit over de Martelaren van Gorcum met enkele afbeeldingen en biografische gegevens. Die afbeeldingen zijn niet de gravures die Jacobus Matham naar Tibout vervaardigde maar copies daarvan, goede weliswaar, maar toch minder zorgvuldig gegraveerd en in spiegelbeeld overgebracht. Dit wil zeggen dat de personen in plaats van naar links te zien, naar rechts zijn gewend. De plaatjes van Boener zijn echter bijna steeds als oer-type nagevolgd.
Jan Tibout Dirkzoon maakte van de Martelaren van Gorcum slechts 15 portretten. Matham sneed omstreeks 1615 de vier ontbrekende portretten, namelijk van twee premonstratensers en twee dominicanen bij. Of hij daarbij zijn fantasie de vrije loop liet of inlichtingen kreeg van kloosters en ordebroeders is op dit moment nog niet duidelijk. Het staat wel vast dat deze vier gravures nooit veel waardering hebben gekregen. Toen Pater Everardus van de Water uit 's-Hertogenbosch, biechtvader van de Zwartzusters in Leuven, in 1620 aan die zusters een reliquarium schonk, bevond zich daarin een reliek van de Martelaren van Gorcum en de portretten van de 15 Martelaren die Matham vervaardigd had. De lotgenoten van Nicolaus Poppelius waren:
1. Nicolaes (Claes) Pieck, geboren op 23 augustus 1534 te Gorcum, franciscaan, gardiaan van het Minderbroederklooster aan de Arkelstraat.
2. Hieronymus (Jeroen) van Weert, geboren rond 1522 te Weert, franciscaan, vicaris van het klooster aan de Arkelstraat.
3. Leonardus (Lenaert) Vechel, geboren in 1527 te 's-Hertogenbosch, wereldheer, pastoor van de Grote of St.-Maartenskerk te Gorcum.
4. Nicasius van Heeze, geboren rond 1522 te Heeze, franciscaan.
5. Nicolaas (Claes) lanszoon Willems van Poppel, geboren in 1532 te Poppel, wereldheer, pastoor in Gorcum.
6. Godefridus (Govaert) van Melver, geboren rond 1512 te Mervelen bij St.Truiden, franciscaan, koster van het klooster aan de Arkelstraat.
7. Wilhades (Willehad) de Deen, geboren rond 1482 in Holstein, franciscaan.
8. Theodorus (Dirck) van der Eem, geboren rond 1499 te Amersfoort, franciscaan, rector van het Agnietenklooster in Gorcum.
9. Antonius (Antoon) de Weert, geboren rond 1523 te Weert, franciscaan.
10. Franciscus (Francois) de Roye, geboren rond 1549 te Brussel, franciscaan.
11. Antonius (Antoon) van Hoomaer, geboren te Hoornaar, franciscaan.
12. Petrus (Pieter) van Assche, geboren rond 1530 te Assche bij Brussel, franciscaner lekebroeder.
13. Cornelius (Cornelis) van Wijk, geboren rond 1548 te Wijk bij Duurstede, franciscaner lekebroeder.
14. Joannes (Jan) Lenaertsz. van Oosterwijk, geboren rond 1504 te Oosterwijk, augustijn, rector van het Begijnhof aan de Haarstraat in Gorcum.
15. Godefridus (Govaert) van Duynen, geboren rond 1502 te Gorcum, wereldheer.
16. Joannes (Jan) van Keulen, dominicaan, pastoor van Hoornaar.
17. Adrianus (Adriaen) van Hilvarenbeek, geboren rond 1528 te Hilvarenbeek, norbertijn, pastoor van Monster.
18. Jacobus (Jacques) Lacops, geboren rond 1541 te Oudenaarde, norbertijn, kapelaan te Monster.
19. Andreas (Andries) \Voutersz., geboren rond 1542, wereldheer, pastoor van Heinenoord

Placeholder Picture

7. De relieken

De ontzielde lichamen van de 19 bloedgetuigen werden de volgende nacht begraven in dezelfde turfschuur waarin zij hun lot zo moedig hadden ondergaan. De teraardebestelling geschiedde vooral op aandrang van de stadssecretaris van Gorcum, die nog in Den Briel verbleef. De geruchten van hetgeen zich had afgespeeld waren al spoedig tot in Gorcum doorgedrongen en vervulden de autoriteiten met afschuw. Vervolgens kwamen merkwaardige verhalen in omloop. De martelaren zouden de hand hebben gehad in verscheidene wonderdaden en op hun graf ontsproten wonderbloemen, zoals de theoloog Willem van Est boekstaafde. Hij beschreef de gebeurtenissen nauwkeurig aan de hand van de verhalen van zijn broer Rutger, die van nabij getuige was geweest van hetgeen zich in de Blauwe Toren had afgespeeld. Ook had hij zich terdege op de hoogte gesteld van wat daarna volgde. Die speciale belangstelling van de gebroeders van Est is wel verklaarbaar. Zij moeten de meeste martelaren goed hebben gekend, in het bijzonder hun oom Nicolaas Pieck. Natuurlijk maakten de gebeurtenissen van 1572 een diepe indruk op hen.

In 1615 gelukte het aan twee paters Franciscanen de stoffelijke resten van de gemartelden te vinden en zij namen de relieken uit piëteit mee naar Brussel waar ze met eerbied werden vereerd. Die verering nam zo toe, dat de gelouterden ruim een eeuw na hun dood, op 14 november 1675, werden zalig verklaard, waarna op 29 juni 1867 de heiligverklaring door Paus Pius LX volgde. Ze kregen bekendheid onder de naam: "Martelaren van Gorcum", naar de stad, waarmee 15 van de 19 geestelijken een band hadden. Een deel van de relikwieën van de martelaren werden in 1937 overgebracht naar de 100 jaar oude R.K.kerk aan de Haarstraat in Gorcum. De relieken werden geborgen in een zilveren schrijn. Een in die zelfde tijd aangebrachte serie gebrandschilderde ramen van de hand van de glazenier pater Humbertus Randag O.F.M. bracht op kleurige wijze de historie van de martelaren van de stad, waarmee de meesten zo verbonden waren, in beeld. Na de sluiting van het kerkgebouw kreeg de reliekschrijn een ereplaats in de R.K.kerk aan de Wijnkoperstraat.
De kolossale gebrandschilderde ramen werden in 1984 verwijderd en opgeslagen, waarna het aan de eredienst onttrokken kerkgebouw aan de Haarstraat een woonbestemming kreeg. In tegenstelling tot Gorcum, heeft Den Briel zich ontwikkeld tot een bedevaartoord. Vooral in de periode tussen de beide wereldoorlogen trokken jaarlijks talrijke groepen pelgrims ter bedevaart om de zo zeer tot de verbeelding sprekende martelaren van vaderlandse bodem te vereren in de omgeving, waar zij de dood vonden. De relikwieën die door de Paters Franciscanen in Brussel werden bewaard, werden toen hun klooster moest milden afgebroken wegens de aanleg van grote boulevards in het centrum van de stad en de oprichting van het Beursgebouw (1864-1871) overgebracht naar de nabijgelegen Sint Niklaaskerk waar ze zich nu nog steeds bevinden.
De relikwieën van de Martelaren van Gorcum worden daar bewaard in een schrijn van verguld koper dat in 1868 vervaardigd werd door Hiillner, uit Kempen in Duitsland. Het schilderij dat tegenover het schrijn werd geplaatst, verbeeldt de laatste communie van de Martelaren van Gorcum. Het werd door B.Stallaert in het jaar 1918 geschilderd.

Placeholder Picture

8. Gorcum omstreeks 1.572 enjilaatsing van de gebeurtenissen in het kader van de tijd

In het midden van de 16de eeuw was Gorcum een rustig stadje, gelegen aan de Merwede en aan de rand van het graafschap Holland. De stadsmuur bood bescherming aan de ongeveer 5000 inwoners. Het bestuur was in handen van een betrekkelijke kleine kring van ingezetenen, die behoorden tot de meest vooraanstaande geslachten van Gorcum. Hoog boven de huizen uit rees de St.-Janstoren, welke behoorde bij de grote middeleeuwse kerk. Het kerkelijk leven nam een belangrijke plaats in. De parochiekerk was toegewijd aan de stadspatroon St.Maarten. Aan deze kerk was een kapittel verbonden, bestaande uit twaalf eerbiedwaardige kanunniken. Bij het Begijnhof aan de Haarstraat stond de Begijnenkerk en aan de Arkelstraat de St.-Nicolaas- of Heilige-Geestkapel, maar die zou toen al niet meer voor de eredienst in gebruik zijn geweest. Verder telde de stad nog enige kapellen, zoals de Onze-Lieve-Vrouwekapel bij de Kanselpoort, alsmede de Gasthuiskerk aan de Gasthuisstraat, het Agnietenklooster voor vrouwelijke religieuzen bij het Zusterhuis en het Minderbroederklooster aan de Arkelstraat, waar franciscaner monniken een godvruchtig leven leidden volgens de regels van Franciscus van Assisi.

Karel V deed in 1555 afstand van de troon als heer der Nederlanden en een jaar later als koning van Spanje. Zijn zoon Philips volgde hem in deze waardigheden op. Opgehouden door een oorlog met Frankrijk, verliet Philips II in 1559 voorgoed de Nederlanden, waar hij het bestuur overliet aan zijn halfzuster Margaretha van Parma als landvoogdes. De regering van Philips ll wekte grotc ontevredenheid door het absolutistische karakter, zonder rekening te houden met de overgeleverde rechten van de onderdanen. De edelen voelden zich gepasseerd, omdat zij in hun ogen te weinig bij de staatszaken werden betrokken, terwijl vreemdelingen ¬zoals Granvelle- grote invloed hadden op het bestuur.

De voornaamste raadgever van de landvoogdes was de bisschop van Atrecht, Antoine de Perrenot, heer van Granvelle. Enkele jaren na de in 1559 afgekondigde nieuwe organisatie van de bisdommen, kreeg hij het belangrijke aartsbisdom Mechelen toebedeeld. Er kwamen toen 18 bisdommen, waarvan er drie tot aartsbisdom waren verheven. Die kerkelijke reorganisatie zette vooral kwaad bloed bij de hoge adel, omdat voortaan uitsluitend een gepromoveerde theoloog voor een bisschopszetel in aanmerking kwam. Deze bepaling schakelde in feite de adel hiervoor uit. Devoot katholiek als hij was, had Philips II het vaste voornemen de afwijkingen in de geloofsleer te vuur en te zwaard te bestrijden. Het volk verzette zich tegen de strenge voorschriften gericht tegen de ketterij en de daaruit voortvloeiende gerechtelijke vonnissen. Een verbond van lagere edelen bood in 1566 een smeekschrift aan de landvoogdes aan, waarbij opheffing van de geloofsvervolging werd gevraagd. Bij deze gelegenheid zou de hooggeplaatste Karel van Barlaymont smalend hebben gezegd: "Ce ne sont que des gueux" (het zijn maar bedelaars), waaraan de latere erenaam "geuzen" zou zijn ontleend. Alom heerste ontevredenheid en het verzet tegen het wettige gezag nam hand over hand toe. Het volk keerde zich vooral tegen de staatskerk en haar dienaren, de priesters en kloosterlingen, daarmee de autoriteiten op een gevoelige wijze treffend. In 1566 begon in calvinistische haarden nabij Doornik de beeldenstorm, welke in noordelijke richting over het land trok. Ook de Gorcumse kerken en kloosters hadden van vernielingen te lijden.
Om orde op zaken te stellen zond Philips II zijn bekwame veldheer Ferdinand Alvarez de Toledo, hertog van Alva, met een leger van 10.000 man naar de opstandige Nederlandse gewesten. Hij volgde de op verzoening aansturende Margaretha van Parma als landvoogd op. Velen vertrouwden het niet en namen de wijk, zoals de prins van Oranje, die stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht was, daarmee zijn functie op het spel zettend. Hij zou een leidende rol in het verzet tegen het Spaanse gezag gaan spelen.
De onverzettelijke Alva stelde o.m. de Raad van Beroerten in, een bijzondere rechtbank om de deelnemers aan de troebelen te vonnissen; vanwege de vele doodstraffen, kreeg de raad de bijnaam Bloedraad. Tot de met verbanning veroordeelden behoorden o.a. ruim 60 Gorcummers, onder wie de vroegere burgemeester Adriaen van den Heuvel wegens zijn openlijke sympathieën voor de nieuwe religie. Een 80 jaar durende oorlog volgde. Ook de hervormingen op het gebied van het belastingstelsel, zoals de invoering van de Tiende Penning, een heffing van 10% bij iedere verkoop van roerende, en die van 5% bij onroerende goederen, droegen bepaald niet bij tot Alva's populariteit. Deze belastingen vormden belemmerende factoren voor de handel en stuitten derhalve op fel verzet van de stedelijke bestuurders.
Een openlijke strijd van de op revolutie beluste heethoofden leek onvermijdelijk. Gevluchte geuzen, die buitengaats een zeeroversbestaan leidden onder aanvoering van de beruchte graaf Willem van der Marck, heer van Lumey, vielen op 1 april 1572 plunderend Den Briel binnen. Zij hielden de stad bezet voor de Prins van Oranje. Aan de inneming van Den Briel nam ook Marinus Brandt deel en het was deze persoon, die op 26 juni 1572 met dertien schepen en 150 man krijgsvolk naar Ciorcum opzeilde. Die geuzenkapitein stond niet bepaald gunstig bekend
Bij de nadering van de geuzenvloot hadden de geestelijken uit de stad en een aantal getrouwe burgers hun toevlucht gezocht in de Blauwe Toren, de dwangburcht aan de Merwede. Zij wisten maar al te goed wat elders was geschied en namen het zekere voor het onzekere. In de toren had de vertegenwoordiger van de landsheer in Gorcum, de drossaard Caspar Turck, zich met een 20-tal soldaten verschanst. Het gistte in de stad. Onder druk van het opdringende volk koos het stadsbestuur de zijde van de opstandelingen,
Bij de Kanselpoort, in die tijd staande in de Westwagenstraat ter hoogte van de Hazewindhondstraat, haalde het volk Marinus Brandt en zijn woeste horden ongestoord als helden binnen de stadsmuur. De geuzen trokken op naar de Blauwe Toren, maar de drossaard wilde niet wijken. Hij deed zijn plicht en verdedigde het hechte bouwwerk tot het uiterste. De bevelhebber was met de weinige manschappen die hem ten dienste stonden nauwelijks in staat de burcht te verdedigen tegen de overmacht onder aanvoering van Marinus Brandt. In de vroege ochtend van vrijdag 27 juni 1572 viel de Blauwe Toren, symbool van het wettige gezag, ten prooi aan de geuzen.
Na een jarenlange vervolging van protestanten, kwam een einde aan de gewetensdrang. Nu waren de rollen omgedraaid. Net als in 1945 na de Duitse bezetting het geval was, laaiden wraakacties op. De toegezegde aftocht voor alle belegerden in de Blauwe Toren bleek een loze belofte. Wel kwamen de burgers vrij, maar dat was niet het geval met de geestelijken die wreed werden behandeld en ruim een week in de sombere kerkers van de Blauwe Toren werden gevangen gehouden. Zoals eerder reeds uiteengezet werden de gevangenen naar Den Briel gebracht waar op boosaardige wijze de spot met hen gedreven werd. Intussen was de als verdraagzaam bekend staande prins van Oranje ingelicht over hetgeen zich in Gorcum had afgespeeld. Hij gebood onmiddellijk niet te discrimeren en de geestelijken ongemoeid te laten en ze gelijke rechten te geven als alle burgers. Een afschrift van het prinselijke bevel werd door stadssecretaris Splinter Vervoorn met spoed overgebracht naar de brute Lumey in Den Briel, maar deze trok zich daarvan niets aan, omdat het bericht hem slechts in afschrift bereikte. Bovendien beviel de aanmatigende toon van het vrijgeleide van de secretaris, dat door Marinus Brandt was verstrekt, hem helemaal niet.
In plaats van te worden vrijgelaten, waartoe invloedrijke familieleden pogingen ondernamen, bleven de geestelijken gevangen. Op de dertiende dag van hun martelgang begonnen de gevangenen in de vroege uren van woensdag 9 juli 1572 aan hun laatste tocht. Ze werden door hun beulen voortgedreven naar het verwoeste klooster in Rugge buiten Den Briel. Aan de balken van de in de nabijheid staande turfschuur werden de 17 priesters en twee broeders lafhartig opgehangen om wille van hun standvastigheid in het geloof; geloofsverzaking zou hun redding hebben betekend, maar onverschrokken verkozen zij de martelaarskroon. Toch waren er met de dood voor ogen vier door de knieën gegaan. Het schaamteloze schouwspel in Gorcum en Den Briel moet als een zwarte bladzijde in de historie worden aangemerkt. De revolutionaire geuzen, helden van het eerste uur der vrijheid, gedroegen zich hier beslist niet als helden. Hun machtswellust ging zover, dat zij zich te buiten gingen aan het mishandelen van onschuldige dienaren van de kerk. Helaas leert de geschiedenis dat elke omwenteling slachtoffers eist.

Ga verder naar deel 4....