Biografie van Nicolaus Poppelius

deel 2

3. De Studiebeurs van Joannes Huybrechts Loemelanus

Nicolaus studeerde te Leuven en genoot er van een studiebeurs gesticht door Joannes Huybrechts Loemelanus. Het lijkt ons interessant wat verder uit te weiden over Loemelanus en over de stichting die hij in het leven riep Joannes Loemelanus werd omstreeks 1465 te Lommel geboren als zoon van Huybrecht en van Margareta Van Kersip. Hij liet ?ich inschrijven aan de Leuvense universiteit op 11 april 1483 en promoveerde er in de beide rechten in 1489. Aanvankelijk doceerde hij er de wijsbegeerte in de pedagogie “Het Vercken”, maar later werd hij hoogleraar in de rechten. Loemelanus vervulde nog verschillende andere ambten. Zo was hij o.a. aartsdiaken van Famenne, raadsheer bij de Hoge Raad van Brabant, kanunnik van St.-Rombout te Mechelen, kanunnik van St.-Lambertus te Luik en kanunnik van de O.-L.-Vrouwekathedraal te Antwerpen. Later werd Loemelanus nog Apostolisch Nuntius en aartsdiaken van Antwerpen. Van 1503 tot 1532 was hij pastoor te Weelde. Daarbij was hij nog pastoor van St.-Amandus te Geel, maar hij verbleef waarschijnlijk weinig op deze plaatsen. Hij stelde immers vervangers aan om de eredienst te verzorgen. Loemelanus overleed op 17 oktober 1532 te Antwerpen. Het testament dat hij liet maken op 28 augustus 1529, bevatte 36 folio’s en hieruit bleek welke enorme nalatenschap te verdelen was. In dat testament is er sprake van een stichting van 10 studiebeurzen aan de Leuvense universiteit, bestemd voor bloedverwanten en minder begoeden uit Weelde, Geel en Lommel. Van 1532 tot 1783 hebben studenten uit Weelde en Poppel kosteloos te Leuven verbleven om er hun studie te voltooien. Loemelanus maakte geen onderscheid tussen Weelde en Poppel, die samen de Vrijheid Weelde uitmaakten en tot in 1655 verenigd waren. Het testament van 28 augustus 1529 werd uit het Latijn vertaald door A. Van der Does de Willebois en hij publiceerde het in 1906.

4. De Zaligverklaring

In 1619 werd te Rome het proces ingeleid dat moest leiden tot de zaligverklaring van de Martelaren van Gorcum. Er werden kerkelijke rechtbanken opgericht die belangrijke getuigenissen optekenden. Deze verklaringen werden voor een groot deel opgenomen in het boek: “Congregatione Sacrorum Rituum sive Eminentissimo ac Reverendissimo D. Card. Arzolino, … Rome, 1665”. Het zou ons te ver voeren om uit te weiden over al deze processen die hebben geleid tot de zaligverklaring. Een studie over die materie zou op zichzelf reeds genoeg stof opleveren voor een lijvig boek. Een overzicht van de processen vindt de belangstellende lezer ook terug in de “Acta Sanctorum” (zie bibliografie). Het waren vooral de Paters Minderbroeders die zich hebben ingezet voor de zaligverklaring die te Rome door Paus Clemens X werd uitgesproken op 14 november 1675. De kosten van de zaligverklaring beliepen over de 30.000 Brabantse gulden en de heiligverklaring zou nog meer kosten. Men was verplicht steden en dorpen aan te zoeken om bij te dragen in de kostendekking van dit proces. In het kerkarchief van Weelde vinden we een brief terug van de Minderbroeders-Recollecten uit Nederland en gericht ” Aen de wijse voorsieninghe Regerders ende catholijke inwoenders tot Poppel”, gedateerd 25 februari 1685. Het betreft hier een verzoek om bij te dragen in de onkosten van de zaligverklaring. Hoe deze brief in het kerkarchief van Weelde is terechtgekomen hebben we niet kunnen achterhalen. Evenmin weten we of Poppel of Weelde iets hebben bijgedragen. De inhoud van de brief luidt als volgt: ” Verthoonen ootmoedelijck de paters van de provincie der Minderbroeders Recollecten in Nederlandt, hoe dat sij in den tijt van 40 iaeren hebben tot Roomen gesolliciteert de Canonizatie van de 19 Martelaers van Gorcom, voor het geloof gemartijriseert in ’t iaer 1572 tot den Briel in Hollant, ende hoe dat nu in het iaer 1675 den 9 october sijne Heijlicheyt den Paus Clemens den X de selve heeft gebeatificeert ende saelich gedeclareert, ende toegelaeten de selve met den titel ende diensten der Saelighen te vereeren, totdat den dagh der Canonizatie, die naer ’t toesegghen van sijne Heijlicheyt sal weesen binnen het tegenwoordigh iaer van Jubilé sal gecoomen sijn: maer mits tot noch toe de supplianten tot deesen eijnde met onspreeckelijcken arbeijdt de kosten beloopende verre oover de 30.000 brabansche guldens hebben alleen moeten beneerstighen ende besorghen, ende door verscheyde vrinden tot hunne becommernisse groete ghelden moeten laeten verschieten, ende mits oock daerenbooven nu ter occasie van de Beatificatie ende Canonizatie tot Roomen noch meerdere kosten sullen moeten geschieden, soo ist dat de supplianten gedwonghen worden tot alle steeden ende principaele plaetsen van dese provincie hunnen toevlucht te nemen, om tot ve. rvoorderinghe van een soo godtvruchtighe saecke noijt in dese Nederlanden gesien, eenighe subsidie ende hulpe uijt de gemeijne middelen te bekoomen ende sijn besonder betrouwen hebbende op alle godtvruchtighe herten van dese Catholijcke Gemeynte, uijt dewelcke eenen van dese Saelighe Martelaers den Saelighen Nicolaus Poppelius tot groote eer ende voordeel der selve, sijne geboorte heeft bekoomen, opdat alsoo den Almoegenden Godt in sijne saelighe dienaers mochte worden gelooft, sijne dienaers mochten onocanghen hun behoerlijcke eere ende diensten, ende dese godtvruchtighe Catholijcke gemeynte mochte door de verdiensten ende voorspraecke der selve altijt worden krachtelijck beschermt ende overvloedelijck gebeedijt.”

5. De Heiligverklaring

Na de zaligverklaring werd te Rome het proces ingeleid dat moest leiden tot de heiligverklaring van de Martelaren van Gorcum. Onder Paus Pius DC had de heiligverklaring plaats op 29 juni 1867. De bulle der Heiligverklaring wordt bewaard in het Stadsarchief van Turnhout. Na de heiligverklaring werden te Weelde voorbereidingen getroffen voor grootse feestelijkheden. Het feest van de heiligverklaring vond te Weelde plaats op 16 september 1867. Hier volgt een verslag daarvan opgesteld door de Secretaris Jan Baptist De Bondt gedateerd 21 september 1867: ” Willende de schoone feest in deze gemeente gevierd, ter gelegenheid van de heiligverklaring van Nicolaas Van Poppel, eenen van de 19 martelaren van Gorcum, welken in deze gemeente geboren is, vereeuwigen of in het geheugen bewaren, hebben wij hiervan het tegenwoordig Proces verbaal opgemaakt: te weten: Ten jaren 1867, op maandag den 16 september, was deze gemeente Weelde in volle feest. En geen wonder, men vierde er de plechtigheid der heiligverklaring van een harer kinderen: Nicolaus van Poppel (Poppelius) die in het jaar 1572 met 18 medegezellen zijn bloed voor de verdediging van het Roomsch Katholiek geloof vergoot. Drij dagen tevoren hadden twee Eerw. Paters Capucienen alhier eene missie geopend ter voorbereiding dezer plegtigheid. De vruchten hiervan kon men genoegzaam erkennen aan de diepe godsvrucht, die al de inwoners bezielde, en

Inderdaad, nooit had men eene kempische gemeente schooner versierd gezien. Bijna al de huizen waren met groene festoenen, met bloemen doorwerkt, behangen. Overal zag men jaarschriften en zinnebeelden, toepasselijk op het feest tusschen nationale vlaggen, prijken. Zeven met smaak versierde praalbogen waren op de voornaamste uiteinden van het dorp opgerigt. Van de kapel tot aan de kerk toe had men op den ganschen doortocht der parochie fraai versierde boomkens geplant. Dit alles leverde met de tallooze van alle kanten toegevloeide volksmenigte een treffend gezicht op. Om 9 uren deed zijn Em. de Kardinaal, aartsbisschop van Mechelen, zijne intrede in de gemeente. Hij stapte bij den heer Burgemeester af en werd door de geestelijkheid en de plaatselijke overheden ontvangen. Vandaar begaf zich de stoet naar de kapel, waar het beeld van den Heilige door Z.em. werd gewijd Hierna stelde de processie zich in orde, om zich naar de kerk te begeven.
Zij was als volgt samengesteld: vooraan de verschillende broederschappen met hun vaandels, onder welke men de banieren der naburige gemeenten Poppel, Ravels en Baarle Hertog bemerkte. Daarna eene welbezette choeur, welke de litanie van alle heiligen zong. Vervolgens kwam een schaar in ’t rood geklede jongenskens, opgevolgd door eene tweede schaar in het wit geklede meisjes, welken allen een bouquet in de hand droegen. Na het beeld van den Heilige, omgeven van twaalf zilveren lanteernen, volgde een 40tal geestelijken, waaronder de hoogw. Heer Boogaerts, vicaris generaal, de weleerw. heeren dekens van Turnhout en Alphen en andere uit de naburige gemeenten. Eindelijk Z.Em. de Kardinaal welke in een zilveren Kasken de relikwien van de martelaars van Gorkum droeg.
Om 10 uren trad de talrijke en indrukwekkende stoet de rijkversierde kerk binnen. Het beeld werd onder eenen van rood fluwelen troon geplaatst, tusschen vier vergulde lusters. Onmiddellijk hierop begon de solemnele hoogmis door den hoogw. heer Bogaerts vicaris generaal. Tijdens dezelve was Z.Em. onder een prachtig verhemelte gezeten; zijnde hoogw. beklom na de mis den preekstoel en wenschte de parochianen in eenige wel gepaste woorden geluk over den grooten schat, welken zij heden binnen hunne gemeenten hadden ontvangen. Na het eeren der relikwien begaf men zich naar de Pastorij alwaar een prachtig feestmaal aan Zijne Em. aan de geestelijkheid en aan de plaatselijke overheden door den eerw. heer pastoor werd aangeboden. Onder dit feestmaal kwamen de koorzangers van Ravels en Weelde eenige fraaye choeurs uitvoeren. Om 4 uren wendt het pontificale lof door zijne Em. de kardinaal gezongen. Onder hetzelve deed den Eerw. Heer Govers, pastoor van het gasthuis te Turnhout een treffend sermoon hetwelk vele der talrijke aanhoorders tot tranen toe bewoog. Des avonds werd er een prachtig vuurwerk afgestoken en eene algemene illuminatie bekroonde dit heuglijk feest. Bijzonder menen wij hier melding te moeten maken van de versiering en verlichting der woningen van Mr. Wouters burgemeester en van den eerw. heer pastoor, waar men fraai geschilderde transparanten aantrof verbeeldende de martelie van den Heilige tot Hij de martelkroon ontvangt in den Hemel. Om deze feest te helpen opluisteren heeft de gemeenteraad alhier in zijne zitting van 4 augustus 1867 een som van 1000 francs uit de gemeentekas gestemd .Daarenboven hebben de Eerwaarde Geestelijken Heeren Pastoor en onderpastoor ieder vergezeld van eenen der schepenen, zich begeven ten huizen der inwoonders om in te zamelen hunne vrijwillige giften tot bijdrage dier feest, welker opbrengst op ongeveer 500 francs kan worden berekend Dank aan den iever der parochianen, dank aan de krachtige medewerking van het gemeentebestuur en van den Eerw. heer pastoor, mag men met regt zeggen dat het feest van maandag wezentlijk schoon was en lang in het geheugen der inwoonders van Weelde zal voortleven.”
Na de heiligverklaring werd een altaar ter ere van Nicolaus Poppelius opgericht in de rechter kruisbeuk van de St.-Michielskerk te Weelde. In 1897 werd de kapel gebouwd in de Hegge, en daarheen werd het beeld overgebracht dat door Kardinaal Sterckx op 16 september 1867 was gewijd, aangezien de St.-Michielskerk ondertussen een nieuw beeld, gemaakt door beeldhouwer Daems van Turnhout, had verworven.

6 De beeltenis

Na de marteldood van de Martelaren van Gorcum wendden de inwoners van Gorcum zich tot de Gorcumse schilder Jan Tibout Dirkzoon, met het verzoek afbeeldingen te maken van de martelaren. Hij voltooide in 1573, het jaar na de marteldood, uit zijn herinnering en zijn sterk voorstellingsvermogen 15 afbeeldingen die de gelaatstrekken weergaven van de 15 martelaren die hij te Gorcum lang en van nabij had gekend.
Einde juli 1574 bevestigden drie geboren Gorcummers, namelijk Jan Janse Robertz, pastoor van het dorpje Arkel, Simon Janse Cock, kapelaan van Gorcum en Willem Mathijs zoon, burger van Gorcum, evenals broeder Jacobus van Gemert en broeder Paulus van ‘s-Hertogenbosch, beiden uit het Minderbroedersklooster van Gorcum, dat de door Jan Tibout Dirkzoon gemaakte portretten zeer goed getekend waren en dat de martelaren zeer goed herkenbaar waren. Later verklaarden broeder Philips van Brussel en Herrie van Nes dat dit inderdaad zo was.
Deze door zeven personen afgelegde verklaring heeft samen met de door Jan Tibout Dirkzoon getekende portretten een belangrijk aktestuk uitgemaakt in het proces, dat van 1660 tot 1664 te Namen doorging in verband met het onderzoek van de mirakelen die aan de Martelaren werden toegeschreven. Sommige auteurs vermoeden dat de originele portretten getekend door Jan Tibout Dirkzoon van Namen uit naar Rome werden gezonden met het oog op de zaligverklaring. In het Vaticaan zijn deze portretten echter niet terug te vinden. Cornelius Musius, een geleerd priester uit Delft heeft voor de portretten prachtige Latijnse verzen geschreven. Aangezien Musius zelf enkele maanden na de Martelaren van Gorcum op 10 december 1572 te Delft werd vermoord, moet Tibout zijn portretten reeds in 1572 voor het grootste gedeelte hebben getekend. Het lofdicht dat Musius voor het portret van de Heilige Nicolaus Poppelius dichtte luidt zo:

Servulus a populo per risum agnomine dictus
ob servitutem tam piam gavisus est
ut placide cum collega sociisque laborum
convenerat, sic morte dispar nec

Van de in 1572 vervaardigde portretten zijn omstreeks 1615 door Jacobus Matham staalgravures vervaardigd. Zijn bekwaamheid staat er borg voor dat hij de gelijkenis van de tekeningen van Jan Tibout Dirkzoon volmaakt heeft overgenomen. Zoals de zaken nu staan zijn de gravures van Matham de oudste portretten van de Martelaren van Gorcum. Al het andere wat daarna is gemaakt (hetzij geschilderd, gegraveerd of getekend) is namaak en heeft niet meer waarde dan een goede, slechte of soms zelfs belachelijke copie. Pater Boener gaf in 1623 een boekje uit over de Martelaren van Gorcum met enkele afbeeldingen en biografische gegevens. Die afbeeldingen zijn niet de gravures die Jacobus Matham naar Tibout vervaardigde maar copies daarvan, goede weliswaar, maar toch minder zorgvuldig gegraveerd en in spiegelbeeld overgebracht. Dit wil zeggen dat de personen in plaats van naar links te zien, naar rechts zijn gewend. De plaatjes van Boener zijn echter bijna steeds als oer-type nagevolgd.
Jan Tibout Dirkzoon maakte van de Martelaren van Gorcum slechts 15 portretten. Matham sneed omstreeks 1615 de vier ontbrekende portretten, namelijk van twee premonstratensers en twee dominicanen bij. Of hij daarbij zijn fantasie de vrije loop liet of inlichtingen kreeg van kloosters en ordebroeders is op dit moment nog niet duidelijk. Het staat wel vast dat deze vier gravures nooit veel waardering hebben gekregen. Toen Pater Everardus van de Water uit ‘s-Hertogenbosch, biechtvader van de Zwartzusters in Leuven, in 1620 aan die zusters een reliquarium schonk, bevond zich daarin een reliek van de Martelaren van Gorcum en de portretten van de 15 Martelaren die Matham vervaardigd had. De lotgenoten van Nicolaus Poppelius waren:
1. Nicolaes (Claes) Pieck, geboren op 23 augustus 1534 te Gorcum, franciscaan, gardiaan van het Minderbroederklooster aan de Arkelstraat.
2. Hieronymus (Jeroen) van Weert, geboren rond 1522 te Weert, franciscaan, vicaris van het klooster aan de Arkelstraat.
3. Leonardus (Lenaert) Vechel, geboren in 1527 te ‘s-Hertogenbosch, wereldheer, pastoor van de Grote of St.-Maartenskerk te Gorcum.
4. Nicasius van Heeze, geboren rond 1522 te Heeze, franciscaan.
5. Nicolaas (Claes) lanszoon Willems van Poppel, geboren in 1532 te Poppel, wereldheer, pastoor in Gorcum.
6. Godefridus (Govaert) van Melver, geboren rond 1512 te Mervelen bij St.Truiden, franciscaan, koster van het klooster aan de Arkelstraat.
7. Wilhades (Willehad) de Deen, geboren rond 1482 in Holstein, franciscaan.
8. Theodorus (Dirck) van der Eem, geboren rond 1499 te Amersfoort, franciscaan, rector van het Agnietenklooster in Gorcum.
9. Antonius (Antoon) de Weert, geboren rond 1523 te Weert, franciscaan.
10. Franciscus (Francois) de Roye, geboren rond 1549 te Brussel, franciscaan.
11. Antonius (Antoon) van Hoomaer, geboren te Hoornaar, franciscaan.
12. Petrus (Pieter) van Assche, geboren rond 1530 te Assche bij Brussel, franciscaner lekebroeder.
13. Cornelius (Cornelis) van Wijk, geboren rond 1548 te Wijk bij Duurstede, franciscaner lekebroeder.
14. Joannes (Jan) Lenaertsz. van Oosterwijk, geboren rond 1504 te Oosterwijk, augustijn, rector van het Begijnhof aan de Haarstraat in Gorcum.
15. Godefridus (Govaert) van Duynen, geboren rond 1502 te Gorcum, wereldheer.
16. Joannes (Jan) van Keulen, dominicaan, pastoor van Hoornaar.
17. Adrianus (Adriaen) van Hilvarenbeek, geboren rond 1528 te Hilvarenbeek, norbertijn, pastoor van Monster.
18. Jacobus (Jacques) Lacops, geboren rond 1541 te Oudenaarde, norbertijn, kapelaan te Monster.
19. Andreas (Andries) \Voutersz., geboren rond 1542, wereldheer, pastoor van Heinenoord.

7. De relieken

De ontzielde lichamen van de 19 bloedgetuigen werden de volgende nacht begraven in dezelfde turfschuur waarin zij hun lot zo moedig hadden ondergaan. De teraardebestelling geschiedde vooral op aandrang van de stadssecretaris van Gorcum, die nog in Den Briel verbleef. De geruchten van hetgeen zich had afgespeeld waren al spoedig tot in Gorcum doorgedrongen en vervulden de autoriteiten met afschuw. Vervolgens kwamen merkwaardige verhalen in omloop. De martelaren zouden de hand hebben gehad in verscheidene wonderdaden en op hun graf ontsproten wonderbloemen, zoals de theoloog Willem van Est boekstaafde. Hij beschreef de gebeurtenissen nauwkeurig aan de hand van de verhalen van zijn broer Rutger, die van nabij getuige was geweest van hetgeen zich in de Blauwe Toren had afgespeeld. Ook had hij zich terdege op de hoogte gesteld van wat daarna volgde. Die speciale belangstelling van de gebroeders van Est is wel verklaarbaar. Zij moeten de meeste martelaren goed hebben gekend, in het bijzonder hun oom Nicolaas Pieck. Natuurlijk maakten de gebeurtenissen van 1572 een diepe indruk op hen.

In 1615 gelukte het aan twee paters Franciscanen de stoffelijke resten van de gemartelden te vinden en zij namen de relieken uit piëteit mee naar Brussel waar ze met eerbied werden vereerd. Die verering nam zo toe, dat de gelouterden ruim een eeuw na hun dood, op 14 november 1675, werden zalig verklaard, waarna op 29 juni 1867 de heiligverklaring door Paus Pius LX volgde. Ze kregen bekendheid onder de naam: “Martelaren van Gorcum”, naar de stad, waarmee 15 van de 19 geestelijken een band hadden. Een deel van de relikwieën van de martelaren werden in 1937 overgebracht naar de 100 jaar oude R.K.kerk aan de Haarstraat in Gorcum. De relieken werden geborgen in een zilveren schrijn. Een in die zelfde tijd aangebrachte serie gebrandschilderde ramen van de hand van de glazenier pater Humbertus Randag O.F.M. bracht op kleurige wijze de historie van de martelaren van de stad, waarmee de meesten zo verbonden waren, in beeld. Na de sluiting van het kerkgebouw kreeg de reliekschrijn een ereplaats in de R.K.kerk aan de Wijnkoperstraat.
De kolossale gebrandschilderde ramen werden in 1984 verwijderd en opgeslagen, waarna het aan de eredienst onttrokken kerkgebouw aan de Haarstraat een woonbestemming kreeg. In tegenstelling tot Gorcum, heeft Den Briel zich ontwikkeld tot een bedevaartoord. Vooral in de periode tussen de beide wereldoorlogen trokken jaarlijks talrijke groepen pelgrims ter bedevaart om de zo zeer tot de verbeelding sprekende martelaren van vaderlandse bodem te vereren in de omgeving, waar zij de dood vonden. De relikwieën die door de Paters Franciscanen in Brussel werden bewaard, werden toen hun klooster moest milden afgebroken wegens de aanleg van grote boulevards in het centrum van de stad en de oprichting van het Beursgebouw (1864-1871) overgebracht naar de nabijgelegen Sint Niklaaskerk waar ze zich nu nog steeds bevinden.
De relikwieën van de Martelaren van Gorcum worden daar bewaard in een schrijn van verguld koper dat in 1868 vervaardigd werd door Hiillner, uit Kempen in Duitsland. Het schilderij dat tegenover het schrijn werd geplaatst, verbeeldt de laatste communie van de Martelaren van Gorcum. Het werd door B.Stallaert in het jaar 1918 geschilderd.