Biografie van Nicolaus Poppelius

deel 3

8. Gorcum omstreeks 1.572 enjilaatsing van de gebeurtenissen in het kader van de tijd

In het midden van de 16de eeuw was Gorcum een rustig stadje, gelegen aan de Merwede en aan de rand van het graafschap Holland. De stadsmuur bood bescherming aan de ongeveer 5000 inwoners. Het bestuur was in handen van een betrekkelijke kleine kring van ingezetenen, die behoorden tot de meest vooraanstaande geslachten van Gorcum. Hoog boven de huizen uit rees de St.-Janstoren, welke behoorde bij de grote middeleeuwse kerk. Het kerkelijk leven nam een belangrijke plaats in. De parochiekerk was toegewijd aan de stadspatroon St.Maarten. Aan deze kerk was een kapittel verbonden, bestaande uit twaalf eerbiedwaardige kanunniken. Bij het Begijnhof aan de Haarstraat stond de Begijnenkerk en aan de Arkelstraat de St.-Nicolaas- of Heilige-Geestkapel, maar die zou toen al niet meer voor de eredienst in gebruik zijn geweest. Verder telde de stad nog enige kapellen, zoals de Onze-Lieve-Vrouwekapel bij de Kanselpoort, alsmede de Gasthuiskerk aan de Gasthuisstraat, het Agnietenklooster voor vrouwelijke religieuzen bij het Zusterhuis en het Minderbroederklooster aan de Arkelstraat, waar franciscaner monniken een godvruchtig leven leidden volgens de regels van Franciscus van Assisi.

Karel V deed in 1555 afstand van de troon als heer der Nederlanden en een jaar later als koning van Spanje. Zijn zoon Philips volgde hem in deze waardigheden op. Opgehouden door een oorlog met Frankrijk, verliet Philips II in 1559 voorgoed de Nederlanden, waar hij het bestuur overliet aan zijn halfzuster Margaretha van Parma als landvoogdes. De regering van Philips ll wekte grotc ontevredenheid door het absolutistische karakter, zonder rekening te houden met de overgeleverde rechten van de onderdanen. De edelen voelden zich gepasseerd, omdat zij in hun ogen te weinig bij de staatszaken werden betrokken, terwijl vreemdelingen ¬zoals Granvelle- grote invloed hadden op het bestuur.

De voornaamste raadgever van de landvoogdes was de bisschop van Atrecht, Antoine de Perrenot, heer van Granvelle. Enkele jaren na de in 1559 afgekondigde nieuwe organisatie van de bisdommen, kreeg hij het belangrijke aartsbisdom Mechelen toebedeeld. Er kwamen toen 18 bisdommen, waarvan er drie tot aartsbisdom waren verheven. Die kerkelijke reorganisatie zette vooral kwaad bloed bij de hoge adel, omdat voortaan uitsluitend een gepromoveerde theoloog voor een bisschopszetel in aanmerking kwam. Deze bepaling schakelde in feite de adel hiervoor uit. Devoot katholiek als hij was, had Philips II het vaste voornemen de afwijkingen in de geloofsleer te vuur en te zwaard te bestrijden. Het volk verzette zich tegen de strenge voorschriften gericht tegen de ketterij en de daaruit voortvloeiende gerechtelijke vonnissen. Een verbond van lagere edelen bood in 1566 een smeekschrift aan de landvoogdes aan, waarbij opheffing van de geloofsvervolging werd gevraagd. Bij deze gelegenheid zou de hooggeplaatste Karel van Barlaymont smalend hebben gezegd: “Ce ne sont que des gueux” (het zijn maar bedelaars), waaraan de latere erenaam “geuzen” zou zijn ontleend. Alom heerste ontevredenheid en het verzet tegen het wettige gezag nam hand over hand toe. Het volk keerde zich vooral tegen de staatskerk en haar dienaren, de priesters en kloosterlingen, daarmee de autoriteiten op een gevoelige wijze treffend. In 1566 begon in calvinistische haarden nabij Doornik de beeldenstorm, welke in noordelijke richting over het land trok. Ook de Gorcumse kerken en kloosters hadden van vernielingen te lijden.
Om orde op zaken te stellen zond Philips II zijn bekwame veldheer Ferdinand Alvarez de Toledo, hertog van Alva, met een leger van 10.000 man naar de opstandige Nederlandse gewesten. Hij volgde de op verzoening aansturende Margaretha van Parma als landvoogd op. Velen vertrouwden het niet en namen de wijk, zoals de prins van Oranje, die stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht was, daarmee zijn functie op het spel zettend. Hij zou een leidende rol in het verzet tegen het Spaanse gezag gaan spelen.
De onverzettelijke Alva stelde o.m. de Raad van Beroerten in, een bijzondere rechtbank om de deelnemers aan de troebelen te vonnissen; vanwege de vele doodstraffen, kreeg de raad de bijnaam Bloedraad. Tot de met verbanning veroordeelden behoorden o.a. ruim 60 Gorcummers, onder wie de vroegere burgemeester Adriaen van den Heuvel wegens zijn openlijke sympathieën voor de nieuwe religie. Een 80 jaar durende oorlog volgde. Ook de hervormingen op het gebied van het belastingstelsel, zoals de invoering van de Tiende Penning, een heffing van 10% bij iedere verkoop van roerende, en die van 5% bij onroerende goederen, droegen bepaald niet bij tot Alva’s populariteit. Deze belastingen vormden belemmerende factoren voor de handel en stuitten derhalve op fel verzet van de stedelijke bestuurders.
Een openlijke strijd van de op revolutie beluste heethoofden leek onvermijdelijk. Gevluchte geuzen, die buitengaats een zeeroversbestaan leidden onder aanvoering van de beruchte graaf Willem van der Marck, heer van Lumey, vielen op 1 april 1572 plunderend Den Briel binnen. Zij hielden de stad bezet voor de Prins van Oranje. Aan de inneming van Den Briel nam ook Marinus Brandt deel en het was deze persoon, die op 26 juni 1572 met dertien schepen en 150 man krijgsvolk naar Ciorcum opzeilde. Die geuzenkapitein stond niet bepaald gunstig bekend
Bij de nadering van de geuzenvloot hadden de geestelijken uit de stad en een aantal getrouwe burgers hun toevlucht gezocht in de Blauwe Toren, de dwangburcht aan de Merwede. Zij wisten maar al te goed wat elders was geschied en namen het zekere voor het onzekere. In de toren had de vertegenwoordiger van de landsheer in Gorcum, de drossaard Caspar Turck, zich met een 20-tal soldaten verschanst. Het gistte in de stad. Onder druk van het opdringende volk koos het stadsbestuur de zijde van de opstandelingen,
Bij de Kanselpoort, in die tijd staande in de Westwagenstraat ter hoogte van de Hazewindhondstraat, haalde het volk Marinus Brandt en zijn woeste horden ongestoord als helden binnen de stadsmuur. De geuzen trokken op naar de Blauwe Toren, maar de drossaard wilde niet wijken. Hij deed zijn plicht en verdedigde het hechte bouwwerk tot het uiterste. De bevelhebber was met de weinige manschappen die hem ten dienste stonden nauwelijks in staat de burcht te verdedigen tegen de overmacht onder aanvoering van Marinus Brandt. In de vroege ochtend van vrijdag 27 juni 1572 viel de Blauwe Toren, symbool van het wettige gezag, ten prooi aan de geuzen.
Na een jarenlange vervolging van protestanten, kwam een einde aan de gewetensdrang. Nu waren de rollen omgedraaid. Net als in 1945 na de Duitse bezetting het geval was, laaiden wraakacties op. De toegezegde aftocht voor alle belegerden in de Blauwe Toren bleek een loze belofte. Wel kwamen de burgers vrij, maar dat was niet het geval met de geestelijken die wreed werden behandeld en ruim een week in de sombere kerkers van de Blauwe Toren werden gevangen gehouden. Zoals eerder reeds uiteengezet werden de gevangenen naar Den Briel gebracht waar op boosaardige wijze de spot met hen gedreven werd. Intussen was de als verdraagzaam bekend staande prins van Oranje ingelicht over hetgeen zich in Gorcum had afgespeeld. Hij gebood onmiddellijk niet te discrimineren en de geestelijken ongemoeid te laten en ze gelijke rechten te geven als alle burgers. Een afschrift van het prinselijke bevel werd door stadssecretaris Splinter Vervoorn met spoed overgebracht naar de brute Lumey in Den Briel, maar deze trok zich daarvan niets aan, omdat het bericht hem slechts in afschrift bereikte. Bovendien beviel de aanmatigende toon van het vrijgeleide van de secretaris, dat door Marinus Brandt was verstrekt, hem helemaal niet.
In plaats van te worden vrijgelaten, waartoe invloedrijke familieleden pogingen ondernamen, bleven de geestelijken gevangen. Op de dertiende dag van hun martelgang begonnen de gevangenen in de vroege uren van woensdag 9 juli 1572 aan hun laatste tocht. Ze werden door hun beulen voortgedreven naar het verwoeste klooster in Rugge buiten Den Briel. Aan de balken van de in de nabijheid staande turfschuur werden de 17 priesters en twee broeders lafhartig opgehangen om wille van hun standvastigheid in het geloof; geloofsverzaking zou hun redding hebben betekend, maar onverschrokken verkozen zij de martelaarskroon. Toch waren er met de dood voor ogen vier door de knieën gegaan. Het schaamteloze schouwspel in Gorcum en Den Briel moet als een zwarte bladzijde in de historie worden aangemerkt. De revolutionaire geuzen, helden van het eerste uur der vrijheid, gedroegen zich hier beslist niet als helden. Hun machtswellust ging zover, dat zij zich te buiten gingen aan het mishandelen van onschuldige dienaren van de kerk. Helaas leert de geschiedenis dat elke omwenteling slachtoffers eist.

9. De Naam

Over de naam en de geboorteplaats van de Heilige Nicolaus Poppelius ontstond heel wat beroering op het einde van de vorige eeuw, toen zowel Weelde als Poppel zich het recht toeëigenden om de Heilige Nicolaus Poppelius als inboorling te mogen begroeten. Vooral Cornelius Ruts en Augustinus Van Eyndhoven schreven vinnige replieken, de eerste was pro Poppel, de andere pro Weelde. Beide auteurs hebben bijzonder veel aandacht besteed aan de naam van Nicolaus, maar allebei trokken ze verkeerde conclusies. Nicolaus wordt in de bronnen en oudste literatuur genoemd als: “Nicolaas Joannis, Nicolaas Poppelius, Heer Claes, Nicolaas Joannis filius, cognomento Poppelius, Nicolaes Janssen ghenoemt Poppel.”
Wat valt hieruit te concluderen? Alle vroegere auteurs (en dat zijn er een honderdtal) concludeerden dat de familienaam van Nicolaus “Janssen” was. Ze kwamen tot dat besluit omdat ze het Latijnse woord Joannis vertaalden in “Janssen”. Dit is foutief, “Joannis” is een patroniem en geen familienaam, dit wil zeggen een “vadersnaam”, en betekent niets anders dan “Janszoon” of “zoon van Jan”.
De akte die we in november 1984 vonden in het archief van het Aartsbisdom Mechelen en waarin Nicolaus tot diaken werd gewijd (zie nr.l van dit tijdschrift) geeft de echte naam van Nicolaus: “Nicolaas Johannis Guillielmi de Popel”, wat wil zeggen “Nicolaas Janszoon Willems van Poppel” of nog: Nicolaus zoon van Jan Willems van Poppel. De bijnaam “Poppelius” die de heilige later heeft gekregen duidt op een zeer hechte band met Poppel en wijst er op dat Nicolaus daar geboren werd. Andere martelaren van Gorcum droegen eveneens de naam van hun geboorteplaats: Adrianus Becanus (geboren te Hilvarenbeek), Hieronymus Werdanus (geboren te Wccrt), Petrus Aseanus (geboren te Asse) en Comelius Wicanus (geboren te Wijck).

10. Poppel of Weelde

Voor de heiligverklaring in 1867 hadden de gelovigen van Weelde en Poppel nooit geredetwist over de afkomst van de heilige. Onder impuls van de geestelijkheid van Weelde, ontstond daar toen een stormachtige campagne om het bezit van de Heilige Nicolaus Poppelius. De verering van een heilige bracht heel wat baat bij. We denken aan missen, broederschappen, novenen, processies, bedevaarten, offergaven, relikwieverering en allerhande godvruchtige aktiviteiten. Om het protest van Poppel te vergoelijken of weg te wuiven, werd er bij het bouwen van de Nicolauskapel in de Hegge (de vermeende geboorteplaats van Nicolaus) in 1897 rekening gehouden met het feit dat Poppel toch niet helemaal op een zijspoor kon worden geschoven. Toen de graafwerken voor de kapel in de Hegge waren voltooid, werd uit Poppel de zavel aangevoerd die men in de groeven stortte. Zo
bouwde men te Weelde de kapel op Poppelse grond! Na de dood van de Poppelse zouaaf
Pater Cornelis Van den Akkerveken stuurde zijn dorpsgenoot zouaaf Jan Baptist Paaps een brief naar Pastoor Cools van Poppel waaruit wij het volgende citeren:” …en daarom verzoek ik u goed aan te tekenen dat hij van Poppel is, want anders zou men binnen honderden jaren te Ravels het feest zijner heiligverklaring wel eens kunnen vieren, wo als men verleden jaar dit van Poppelius te Weelde gevierd heeft”.